Joods huwelijks- en echtscheidingsrecht

Titel
Joods huwelijks- en echtscheidingsrecht

Jaar
2002

Druk
1994

Overig
1ed 1994

Pagina's
249



OVERZICHT VAN HET JOODSE HUWELIJKS- EN ECHTSCHEIDINGSRECHT

naam - kun je afleiden dat er sprake is van een vorm van eigendom van de slavin-vrouw; het voor de dood van Ja'akov benaderen door Re'oeween van Bilhah wordt beschouwd als aantasting van diens eigendomsrecht, als rebellie tegen zijn vader, zoals ook het soortgelijk gedrag van Avsjalom tegen zijn vader David.

Door de latere ontwikkelingen verdwijnt de hebreeuwse slaaf/slavin. Door de beperkende bepalingen omtrent de duur van de slavernij - zes jaar - en, in geval iemand om uit zijn schulden te komen zichzelf als slaaf verkocht, maakten de bepalingen van het sjemitta jaar - het zevende jaar, waarin de schulden vervielen - het nauwelijks mogelijk om dit instituut te handhaven. Dit betekent dat dit instituut in de latere rabbijnse literatuur niet meer voorkomt en de enig halachische relevante samenlevingsvorm tussen een Joodse man en een Joodse vrouw het huwelijk is.

Het instituut van het concubinaat bestond blijkens de talmoedische literatuur nog wel. Zoals hiervoor al vermeld, wordt als verschil tussen een legitieme vrouw en een concubine genoemd, dat eerstgenoemde wel een ketoeba heeft en laatstgenoemde niet. Rav gaat, blijkens een passage in de Talmoed Jeroesjalmi nog een stap verder en zegt dat een pilegesj noch gehuwd is, noch een ketoeba heeft3'9. Het instituut van de 'pilegesj' komt wel voor in de Griekse en Romeinse juridische literatuur.1De in de Talmoed genoemde matrimoniale avonturen van Rav en R. Nachman2' hebben geen betrekking op het concubinaat, maar op een vorm van een tijdelijk huwelijk; een huwelijksvorm die ook in de omringende culturen en met name later in de Arabische cultuur voorkomt3.

Het concubinaat komt weer op in de Joodse cultuur in de I2de-i3de eeuw, waarschijnlijk onder invloed van de omringende dominante christelijke cultuur. Volgens de Rambam4 is het alleen de Koning toegestaan een concubine te hebben. Dit is ook de opvatting van o.a. R. Abraham ben

118

1  Van Oven o.c. 60, pp. 474-476.

2  bYoma 8b en bYew. 37b.

3  Zie Encyclopaedia of Islam, New Edition, Vol. VII, pags 757-759 s.v. "Muta". E.J. Brill. Leiden 1992 en het in noot 66 vermelde werk van mr. L. Buskens pp. 88,112.

4  Yad, Hilch. Melachiem 4:4.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.