OVERZICHT VAN HET JOODSE HUWELIJKS- EN ECHTSCHEIDINGSRECHT
Volgens Zeitlin worden in de tannaitische literatuur (geleerden rond het begin van de gewone jaartelling) twee documenten vermeld met betrekking tot het huwelijk: de sjtar kidoesjien en de ketoeba. Deze documenten zijn niet identiek; de sjtar is ouder dan de ketoeba, wordt voor het eerste in de Misjna vermeld en wordt geschreven door de vader van de bruid.1 De ketoeba wordt geschreven door de bruidegom en is volgens een vermelding in de Talmoed ingesteld door Sjimon ben Sjetach.2 Op deze laatste bewering valt nog wel wat af te dingen omdat alle commentatoren op deze plaats in de Talmoed van mening zijn dat Sjimon ben Sjetach niet de ketoeba instelde, maar bepaalde dat in de ketoeba door de man moest worden vermeld dat hij op zijn hele vermogen hypotheek verleende met betrekking tot de mohar en de mattan.
Voorts is volgens de Misjna een sjtar een van de methoden om een huwelijk te sluiten, de ketoeba alleen is hiertoe onvoldoende. Een ketoeba is een declaratoir document terwijl een sjtar kidoesjien een constitutief document is.
De ketoeba werd ingesteld door de Tanna'iem bij wijze van takkana (rabbijnse verordening) ter bescherming van de vrouw. De ontwikkeling van deze takkana staat beschreven in de hiervoor vermelde discussie in het Talmoedtractaat Ketoeboth (bKet. 82b).
In de Palestijnse Talmoed3 komt een controverse voor tussen R. Meir en R. Judah; volgens R. Meir is het verschil tussen een vrouw en een concubine dat laatstgenoemde geen ketoeba heeft. Volgens R. Judah heeft zij echter wel een ketoeba. Dat wil zeggen dat zij na de dood van haar concubijn geld ontvangt. Voor de vrouw echter is het vermogen van haar overleden man verhypothekeerd en zij heeft dus een zekerheid voor
108
1 Dit wordt afgeleid uit de mKiddi:2.
2 198 O.a. in bSjabb. 14b en 16b. Sjimon ben Sjetach leefde in de eerste eeuw v.Chr. Hij was een broer van koningin Sjlomzion. Hij werd vervolgd en vluchtte naar Egypte maar kon later terugkeren naar Israël samen met anderen - yT Chag. 2:2. Wellicht dat, hoewel de ketoeba als zodanig wel bekend was, hij in Egypte zag hoe deze ook kon worden gebruikt, namelijk het daarin opnemen van een generale hypotheekstelling. Asjer Gulak: "Das Urkundenwesen im Talmud. Im Lichte der Griechisch-Aegyptischen Papyri und des Griechischen und Roemischen Rechts". Verlag Rubin Mass. Jerusalem. 1935, p. 57 wijst er op dat deze vorm van zekerheidstelling Grieks-Egyptisch van origine is. En Jacob J. Rabinowitz in "Jewish Law. Its influence on the development of Legal institutions". Bloch Publishing Company. New York. 1956. p. 43 wijst ook op deze ontwikkeling.
3 yK.et.29d.