VERPLICHTINGEN EN RECHTEN
zich in sexueel opzicht buitensporig gedroegen ten opzichte van hun vrouw.
De andere verplichtingen zijn rabbijns van oorsprong en vallen onder het begrip "condities van het gerecht" d.w.z. ze ontstaan door het huwelijk en zijn met de sterke arm afdwingbaar.1
IV.i.a.4 Bruidsschat (mohar)2.
De bruidsschat is de kern van het huwelijkscontract (ketoeba) en wordt ook wel "ikkar ketoeba" genoemd. Dit is het bedrag dat aanvankelijk aan de vader van de bruid door de bruidegom werd gegeven. Later wordt dit een verplichting van de bruidegom tot het betalen waarvoor hij zijn gehele vermogen verhypothekeerde. Het bedrag wordt aan de vrouw uitgekeerd bij de echtscheiding3. Het was bedoeld om overhaaste echtscheiding te voorkomen en werd geacht voldoende te zijn voor de vrouw om gedurende een jaar in haar onderhoud te voorzien zodat ze de tijd had om zich economisch te rehabiliteren. Daarom was het bedrag voor een weduwe of een gescheiden vrouw lager dan voor een maagd, omdat eerstgenoemden geacht werden al zelfstandiger te zijn. Voor een maagd was het bedrag 200 zoeziem - tegenwaarde van 50 sjekaliem - en voor een weduwe of een gescheiden vrouw 100 zoeziem. Dit zijn minimum bedragen. Later ontstaat het gebruik van een standaard ketoeba.137
91
1 D.w.z. toen de rabbijnse gerechten deze mogelijkheid nog hadden. Onnodig te zeggen dat in Nederland deze gerechten die mogelijkheid niet (meer) hebben. Zie ook Yad, Hilch. Isoet 12:2.
2 135 De bruidsschat in het Joodse recht kan niet worden vergeleken met de 'dos' in het Romeinse recht. Deze wordt weliswaar door de vader van de bruid aan de bruidegom gegeven, maar deze wordt volledig eigenaar en in geval van echtscheiding kon hij deze in beginsel houden. Zie van Oven o.c. 58, pp. 457 e.v. De enige gelijkenis tussen beide is de manier waarop de bruidsschat werd afgesproken, zie het artikel van Ranon Katzoff vermeld in noot 84.
3 Epstein JMC, o.c. 52, p. 70 waar hij opmerkt; "the mohar became a divorce price instead of a marriage price...". zie ook Hauptman, o.c. 90, pp. 62-63.