OVERZICHT VAN HET JOODSE HUWELIJKS- EN ECHTSCHEIDINGSRECHT
Naast dit bedrag werd er een aanvullend bedrag (mattan) door de bruidegom aan de bruid gegeven - maar niet uitbetaald - bij het sluiten van het huwelijk (tosafot ketoeba). Ook dit bedrag werd bij de echtscheiding uitgekeerd en ook hiervoor stond het gehele vermogen van de man garant. Deze gift kan niet worden vergeleken met de 'nox prima' of de Germaansrechtelijke 'Morgengabe'.
Naast de mohar en de mattan is er de 'nedoenja': giften van de vader van de bruid aan haar. De term nedoenja is eigenlijk de bruidsschat in de engere zin van het woord en kan worden gezien als een substituut voor haar erfdeel.1 Vandaar soms de term 'sjieloechiem', het wegzenden van de dochter uit haar ouderlijk huis.
In beginsel had de vrouw de volledige beschikkingsbevoegdheid over deze nedoenja. Een latere ontwikkeling leidt er toe dat ook deze zaken onder het gezag van haar man komen2, in die zin dat hij het vruchtgebruik had en dat zij hoofdgerechtigde bleef. Dit recht van de man wordt aangeduid met de term 'moeloeg'of'melog'.3
IV.i.a.5 Medische kosten4
De man is verplicht de kosten van de ziekte van zijn vrouw te betalen, zelfs in geval van een langdurige ziekte. Het niveau van de medisch zorg is ook volgens de regel 'zij stijgt wel met hem, maar daalt niet met hem'.
IV.i.a.6 Losprijs142
De man is verplicht zijn vrouw te verlossen als zij gevangen is genomen. Dit niet alleen als zij in een oorlog wordt gevangen genomen, maar ook als zij wordt gekidnapt en in elke andere situatie waardoor zij niet bij haar man kan leven. De hoogte van het bedrag van het losgeld dat de man
92
1 Zie, onder andere, Hauptman, o.c. 90, pp. 79-84.
2 bKet. 78a-79a.
3 De herkomst van dit woord is niet geheel duidelijk, of van het Babylonische 'muluga', van het Griekse 'amelgo' of uit het Latijnse 'mulgeo'(=melken). Klein o.c. 158, p. 348 ziet een Syrische of Aramese oorsprong die beide 'plukken' betekent; de man mag de vruchten plukken zonder dat hij verantwoordelijk is voor het behoud van de zaak.
4 mKet. 4:9.