XIV
redigheid van hun kapitaal, behalve hun vrije belofte, te betalen voor het onderhond der armen, zoodat zij indirect doen hetgeen direct niet kan noch mag gebeuren, en de Synagoge daardoor in do grootste verwarring en wanorde geraken zou, en de Natie niet zou kunnen bestaan wanneer niet daartegen behoorlijk zou worden gewaakt; daarom vinden requestranten zich op nieuw genoodzaakt, zich tot U Groot-Achtb. te wenden, u met allen eerbied verzoekende nogmaals te willen bevestigen het recht, dat hun requestranten is toegekend bij het hiernevens gaand schrijven van 17 November 1670, om, waar het noodig zal zijn, volgens de wet en gebruiken der Joodsche Portugeesche en Spaansche Natie, tegen de ongehoorzamer! alle straffen der Synagoge met inbegrip van den Cherem of ban aan te wenden, hen tevens machtigend te beschikken in hetgeen betreft het onderhoud der armen en in hetgeen de Godsdienst, wet en gewoonten der Joden aangaat, zoowel tegen hem die van de Synagoge afhankelijk waren en desniettegenstaande zich van haar willen verwijderd houden en thuis blijven, als tegen hen, die zulks in het vervolg zullen doen, zoolang zij blijven behooren tot den Joodschen Godsdienst, als zijnde in strijd met de accoorden der Synagoge, en aldus de tucht te handhaven even als vroeger geschiedde en volgens de wet en gewoonten der requestranten;
Hetwelk doende enz.
(Get.) Moseh Pereira, Joseph de Azevedo, Ishao Levi Ximenes, Moseh Chriel, Abraham Jesurun Espinosa, Abraham Sagache, Gabay; terwijl Daniël Pinio niet medetee-kende, als zijnde te ’s Gravenhage.
In margine was geschreven:
Mijne Heeren van den Gerechte staan aan de requestranten hun verzoek toe en bevestigen dien ten gevolge het recht, dat hen toegekend was bij hot schrijven van 17 November 1670, om waar het noodig zal zijn volgens de wet en gebruiken der Joodsche Portugeesche en Spaansche Natie, tegen de onge-hoorzamen alle straffen der Synagoge met inbegrip van den Cherem of ban aan te wenden; hen tevens machtigend te beschikken in hetgeen betreft het onderhoud der armen, en in hetgeen de Godsdienst, wet en gewoonten der Joden aangaat,