Art. 18.
Zij, dio op Kipur lichten willen ontsteken, zullen de olie naar de Synagoge brengen, waar deze in eene kruik zal worden gegoten, waaruit de lampen gevuld zullen worden, die zich op do kronen bevinden.
Art. 19.
Niemand zal in of nabij do Synagoge of in de Medrassim (leerscholen) een ander mogen beleedigon op boete van ƒ50 ten voordeele der Sedaca. Ook mag niemand op eene dier plaatsen do hand tegen zijn naaste opheffen, of met eenig wapen of stok (behalve tot steun) verschijnen, op straffe van Herem en volledige uitsluiting uit de gemeente, totdat hij boete gedaan en 20 pond groot voor de Sedaca betaald zal hebben on door den Mahamad weder zal zijn aangenomen als lid. Het mes of ander wapen, dat iemand tot zelfverdediging bij zich draagt, zal niet als verboden worden beschouwd, maar zal daarvan opgave moeten gedaan worden. Do Herem wordt steeds opgeheveu in de vergaderkamer van den Mahamad.
Art. 20.
Hij, die ter Synagoge iets aan den President heeft mee te deeleu, zal zulks in stilte doen; ook zal niemand zich ter Synagoge kunnen verzetten tegen oen maatregel, dio aldaar door den Mahamad of eenig lid daarvan is genomen.
Art. 21.
Niemand van wat rang of stand ook, hetzij hij binnen of buiten het land woont, zal bij hot roepen voor den Safer met eenigen titel mogen vereerd worden. Alleen in geschriften, in den dagelijkschen omgang en bij Escavot (gebeden voor de zielrust) zal het geoorloofd zijn titels te geven.
Art. 22.
Niemand zal binnen de Synagoge vóór of na het gebed iets mogen spreken of doen wat met handel in betrekking staat op boete van ƒ 3.
Art. 23.
Wanneer in een week een of meer Berits (besnijdenissen) of bruiloften voorvallen, zal hij, wiens Misva (kerkelijke