Art. 24.
Niemand zal ter Synagoge zijne stem zoo hoog mogen verheffen, dat die van den Ilazan daardoor onhoorbaar wordt.
Art. 25.
Niemand mag gedurende het gebed of het lezen in den Sefer praten, of die Synagoge verlaten na het oplichten van den Sefer.
Art. 26.
Niemand mag in do Synagoge staande blijven wanneer dit niet voor de geheele Gemeente is vastgesteld. Hij die uit vroomheid op Kipur of een andoren dag wil blijven staan, zal zich daartoe begeven op cene afzonderlijke plaats, welke de Mahamad hem aanwijzen zal.
Art. 27.
Niemand mag het Minha (middaggebed) of Arhit (avondgebed) aanvangen zonder verlof van den Mahamad of hot daarvan aanwezige lid, of, bij afwezigheid van deze, van de tegenwoordige ouderlingen. Wie de Synagoge binnentreedt gedu-durende de Hamida (de zoogenaamde 18 lofzeggingen) zal in het voorhof wachten tot het geëindigd is.
Art. 28.
Niemand mag een vreemdeling of nieuw lid in de Synagoge eene plaats geven of hem langer dan één dag hij zich laten zitten. Hij heeft dan daarvan aan den Mahamad of den President kennis te geven, die hem eene plaats zal aanwijzen. Ook kan de Mahamad, wanneer het hem goed dunkt, ieder van plaats doen veranderen.
Art. 29.
Door geene Hebra (gebroederschap) mag zonder verlof van den Mahamad iets ter Synagoge afgekondigd of bevolen worden.