HOOFDSTUK V.
De kritiek op het Kapitalisme.Zooals in de philosophie en in de wereldbeschouwing Marx’ wetenschappelijke inzichten aanknoopten aan Kant, Fichte, Hegel en Feuerbach; in de geschiedenisbeschouwing aan Augustin Thierry en Michelet, zoo knoopten zijne staathuishoudkundige inzichten aan die van de, eveneens klassieke vertegenwoordigers der burgerlijke staathuishoudkunde aan. Adam Smith en David Ricardo, beiden engelsche economen waren zijne voorgangers.
Voornamelijk was het kernpunt van elke principieele economie, het concipieeren eener waarde-theorie. Deze is ook bij Marx, gelijk bij eiken econoom die een zeker tijdvak in zijn werk vertegenwoordigt, de spil waarom alles draait. Maar bij Marx bovendien, de bron waaruit de door hem geformuleerde theorie van de méérwaarde, — de polsader in de kapitalistische produktie-wijze, — wetenschappelijk door hem kon worden vastgesteld.
Tusschen de „Critiek op de staathuishoudkunde” en „Das Kapital”, het begin en de voortzetting, liggen negen jaren. Het eerste deel van: „Das Kapital, critiek der politische economie” verscheen in 1867; het tweede deel eerst in 1885, twee jaren na Marx’ dood, zoo ook het derde deel, beiden door Friederich Engels uitgegeven. De jaren die er liggen tusschen de „Critiek” en het groote dikke boek „Das Kapital”, waren voor Marx, die van een langdurig, steeds terugkeerend lichamelijk lijden en van groote finantieele zorgen. Maar dat niet alleen. In die periode viel ook de