Karl Marx en zijne voorgangers

Titel
Karl Marx en zijne voorgangers

Jaar
1902

Overig
Serie: De groote denkers der eeuwen ......

Pagina's
300



— 177 —

gesloten en de causaliteit tot eene absolute wet door hem verheven, waaraan alles in de natuur zooals ook in den mensche-lijken wil, onderworpen was.

De groote gedachte van de vooruitgang in beschaving, die het voornaamste voortbrengsel van llè Hegelsche philosophie was, — de dialektische ontwikkeling — heeft, als sleutel tot het begrip van het verleden, de geschiedeniswetenschap op een hooger plan kunnen stellen. De toepassing van de evolutionaire, dus dialektische ontwikkeling op de menschelijke samenleving is, in wetenschappelijken zin en beteekenis, niet verschillend van die, welke Darwin toepaste op de biologie en waarmede hij tot zijne, voor de vooruitgang der biologische wetenschappen zoo baanbrekende resultaten was gekomen. En het is in het algemeen geen toeval, dat beide wetenschappelijke ontdekkingen, voor natuur en samenleving van het grootste belang, in een en denzelfden tijd zijn tot stand gekomen. Darwin en Marx kenden elkander echter niet.

Maar in hetzelfde jaar, — alleen dit is er toevalligs aan — dat Charles Darwin zijn „Ontstaan van de Soorten” publiceerde, zag ook van Marx „Kritiek der Staathuishoudkunde” het licht. Dit was in ’t jaar 1859,

* *

*

Met de nieuwe levensbeschouwing lieten zich, noch het standpunt van de „humanistische” socialisten, noch dat van de „utopistische” socialisten vereenigen.

Vooral de laatsten hadden bij hunne beschouwingen, hoe nauw deze dikwijls de werkelijkheid ook raakten, steeds ééne onveranderlijke en vaste, „menschelijke -natuur” aangenomen, waarvan zij ook steeds uitgingen en ondanks alles steeds op terugkwamen. Dat deze niet echter er was kon de geschiedenis aantoonen, zoodra zij maar op hare reële basis, de menschheid zelve werd teruggevoerd. Wat is echter de menschheid en wat beweegt haar? Wat maakt, in laatste instantie de beweegkracht der geschiedenis uit? Is het het toeval? Neen. Zijn het idéën dan ? Maar deze wonen in menschen; in de samenleving van produceerende en consumeerende, werkende en niet-werkende individuen. En de ideën zelven, waren ook nooit eeuwige en onvergankelijke, maar steeds naar den aard der samenleving die ze produceerde, andere.

Trouwens, reeds om die eeuwige vastheid van de menschelijke „natuur” had Hegel zich in zijne „Geschiedenis-philosophie” lustig gemaakt. Het was namelijk met betrekking tot de socialistische Utopisten, die zich het hoofd stuk peinsden over de „beste” wetgeving en over de „beste” maatschappij.

12

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.