— 136 —
sproken. Zoo ook door Bruno Bauer in genoemde opstellen.
„De duitsche Joden,” zegt Marx daarop, „begeeren emancipatie; welke emancipatie begeeren zij? De Staatsburgerlijke, de politieke emancipatie. Bauer zegt: Niemand in Duitschland is politiek geëmancipeerd. Wij-zelf zijn onvrij! Gij Joden zijt egoïsten, omdat gij een emancipatie voor U-zelf verlangt, gij behoort als duitschers, als menschen, deel te nemen aan de menschelijke emancipatie.”.......
„Of verlangen de Joden gelijkstelling met de christelijke onderdanen? Dan erkennen zij den christelijken Staat als gerechtigd, erkennen zij het regiment der algemeene onderdrukking. Waarom misvalt hun dit speciale juk, terwijl hun het algemeene juk niet tegenstaat? Waarom moeten de duitschers zich voor de bevrijding der joden warm maken, waar de jood zich niet warm maakt voor de bevrijding der Duitschers ?” Hierbij, en bij nog meer dergelijke belangrijke vragen door Bauer gesteld, erkent Marx dat Bauer de kwestie wel nieuw gesteld heeft, maar haar niet geheel heeft kunnen oplossen. „Wanneer Bauer,” zegt Marx, „den Joden vraagt: hebt gij, van uw standpunt bekeken het recht, de politieke emancipatie te begeeren, dan vragen wij, omgekeerd: „heeft het standpunt der politieke emancipatie het recht, van de Joden de opheffing van het Jodendom, van de menschen in het alge-*■*.*'. meen, de opheffing der religie te verlangen?”
„De Jodenkwestie vêrïürygt een ander gezicht, al naar den staat, waarin den Jood zich bevindt. In Duitschland, waarin geen politieken Staat, geen Staat als zoodanig bestaat, is de Jodenkwestie nog een zuiver theologische. De Jood bevindt zich daar nog in de religieuze tegenstelling tot den Staat, die het christendom als zijn grondslag erkent. Dezen Staat is de theoloog ex professo.
In Frankrijk in den constitutioneelen Staat, is de Jodenkwestie een kwestie van constitutionalisme, een kwestie van halfheid der politieke emancipatie. Daar hier de schijn van een staatsreligie, hoewel ook in de nietszeggende en zich zelf tegensprekende formule, — in de formule van een religie der meerderheid — behouden is gebleven, zoo behoudt de verhouding van de Joden tot den Staat, den schijn van een religieuze, theologische tegenstelling”.
„Eerst in de Amerikaansche Vrijstaten — minstens in een deel derzelven — verliest de Jodenkwestie hare theologische beteekenis en wordt zij een zuiver wereldlijke kwestie. Slechts daar, waar de politieke Staat het stadium van zijne volkomene ontwikkeling is genaderd, kan de verhouding van den Jood, van den