dat nu alles nieuw was. Hij merkte opeens dat een zoen iets heel bijzonders is: hij had alles voor Mietje over.
Het meisje gaf de zoen terug op zijn wang. Het voelde heel lief, maar toen hij haar aankeek, lachte ze weer het glimlachje dat hij niet begreep.
Wel begreep hij, terwijl hij haar nakeek voor het hek, dat dit een heel bijzondere dag was geweest. De grootste dag die hij tot dusver had beleefd.
Oom Eli zat op het plaatsje waar hij altijd zat, achter het linker-venster. Henri wuifde en knikte omhoog naar het raam met de oudemannengezichten, toen liep hij vlug de stoep op.
De voordeur ging vanzelf open want Mousje, de huisknecht, had hem zien aankomen. Mousje mocht ’s middags binnen zitten bij de heren, hij was wel een huisknecht maar tevens lid van de gabro-nem-gewre, het rituele dodendienstcollege, waaraan men slechts mocht meewerken bij onberispelijke levenswandel. De huisknecht Mousje bekleedde dus een erefunctie en men achtte hem zeer. Maar hij bleef toch gedienstig.
Oom Eli had het zwarte keppeltje naar achteren op zijn kruin geschoven en hield zijn kleine benige handjes gevouwen over de gouden knop van zijn stok. Hij liep nog best zonder stok, maar hij vond het toch aangenaam om die altijd bij zich te hebben. Sinds zijn vrouw was gestorven en de kinderen zo onbereikbaar ver in Londen woonden, was er niets dat zo zeker bij hem hoorde als de stok, die hij indertijd op zijn zestigste verjaardag van hen had gekregen.
‘Daar is mijn jongen!’ zei oom Eli. Henri zag dat hij blij was, toen werd hij zelf ook blij omdat oom Eli van hem hield.
Hij legde zijn pet onder de stoel die naast oom Eli voor hem was aangeschoven en ging toen rond om een hand te geven aan de andere heren. Ze leken een beetje op elkaar, al die oude joodse heertjes. Ze waren allemaal even helder gewassen, hun linnen was wit en hun dofzwart lakense pakken smetteloos geschuierd. Ze droegen alle vijf een zwartzijden mutsje op hun achterhoofd en als ze zo in hun kringetje zaten of de hoofden bijeenstaken voor het raam, waren het net vijf oudgeworden broertjes, die van begin af aan bij elkaar hebben behoord. Dat was ook eigenlijk zo, omdat ze hun leven lang een eerbaar joods bestaan hadden geleid en dus iedere dag van de week veel dingen op dezelfde wijze hadden gedaan. Maar ze hadden toch uiterlijk heel verschillende levens ach
97