drempel. Daar stond hij nu op het hoge balkon, even hoog als de groene boomkruinen. Beneden hem reed een bierkar, de glanzig-bruine paardebillen spanden en ontspanden hun spierbonken, boven op de bok zat de dikke rode koetsier en wuifde zijn zweep over hun brede schonken. De mensen langs het trottoir bewogen hun voeten in een zelfgekozen gang, de damesrokken deinden naar links en naar rechts, de armen van de mannen zwaaiden mee met hun pas. De groene iepekruinen bogen en rezen onder de druk van de zoele wind en, als een verrassing, schoten twee kleine grijsbruine mussen kwetterend uit een verborgen nest en vlogen vlak langs Henri’s hoofd omhoog naar een gootrand.
‘Wat lollig staan we hier,’ zei Mietje. ‘Zo hoog ben ik nog nooit geweest. Kijk, we kunnen op het dak van het Panorama zien.’
‘Ja/ zei Henri. Hij moest nog even slikken eer hij spreken kon. ‘’t Is hier fijn, alles beweegt zo leuk. ’t Is hier veel beter dan daarbinnen.’ Hij hield stijf zijn rug gekeerd naar het museum van de angst.
‘Je zou er van dromen,’ zei Mietje. ‘Laten we maar niet verder kijken in dat museum.’
‘We gaan dadelijk naar beneden,’ beloofde Henri, ‘ik wist niet wat er te zien was.’
‘Dan weet je het nu tenminste,’ zei Mietje. ‘Snap jij waarom ze dat allemaal zo neerzetten?’
‘Om ervan te leren, - misschien is het voor de studenten,’ peinsde Henri.
‘Dan moesten ze de andere mensen maar niet binnenlaten, waarom is dat nou nodig? Je weet toch zo ook wel alles van Ome Hein!’ Henri slikte een paar maal, toen zei hij haastig: ‘denk jij er wel eens over dat je dood moet?’
‘Waarom zou ik daarover denken?’
‘Daarom!’ zei Henri.
‘Daarom is geen reden. Als ik doodga over... over tachtig jaar bijvoorbeeld - nou, dan ga ik gewoon dood, net als iedereen, waarom zou ik daarover denken, gekke jongen?’
‘Ja!’ riep Henri, zo luid dat de mussen opvlogen, en tegelijk ging in zijn hart een grote, lichte ruimte open, - ‘ja, - natuurlijk, - dat is waar, iedereen gaat dood, alles, en alle dieren ook. Nou, dan is het ook niets bijzonders. Ga mee Mietje, ’t is al bij vieren, nu kunnen we niet langer blijven.’
Hij liep met een flinke stap terug door de zalen, hij durfde ook om zich heen kijken. Op de trap stak hij zijn arm door die van Mietje, toen was ze zo dichtbij dat zijn mond haar een zoen wilde geven. Hij had in zoveel weken niemand uit beleefdheid moeten zoenen,
96