ter zich en dus meende ieder dat hij het leven beter kende dan de anderen. Als ze ’s middags in de recreatiekamer voor het raam zaten, en over de voorbijgangers en gebeurtenissen in de Joodse Gemeente praatten, deed iedereen zijn best om aan het woord te komen en zijn mening te zeggen. De huisknecht Mousje echter zat erbij en luisterde. Alleen een enkele maal nam hij het woord om een geschil te beslechten, - hij kon dat, omdat hij als gabber veel met de doden omging en dan weet men meer.
Henri ging de rij af met een uitgestoken hand. Eerst naar mijnheer Polak, die gazzan was geweest en toen naar mijnheer Matje, die in lompen had gehandeld. Mijnheer Snabel zat daarnaast, die was boekhouder geweest bij het Israëlitisch Weekblad en mijnheer Wijnstok had nooit iets anders gedaan dan coupons knippen, maar hij had veel verstand van oude schilders en schilderijen.
Het waren allemaal vriendelijke gezichten die naar Henri keken. Natuurlijk wist hij wel dat ze niet altijd even vriendelijk waren, want oom Eli vertelde veel verhalen uit de Stichting als hij ’s zater-dagochtends na sjoel kwam meeëten. Mijnheer Snabel bijvoorbeeld had een heel jaar niet tegen mijnheer Wijnstok willen spreken en het was gazzan Polak na veel moeite eerst tegen de Grote Verzoendag gelukt om vrede te stichten. Maar nu merkte men daar niets meer van. In de hoge, spaarzaam gemeubelde kamer met de geeleiken geverfde lambrizering, was alles zo vreedzaam als een sabbatdag. De vijf witporseleinen kwispedoren stonden naast elkaar op de schoorsteenrand en de vijf asbakjes waren netjes voor iedere stoel neergezet langs de glimmende mahonietafel. De witte jaloezieën waren precies gelijk opgehaald, daar zorgde de huisknecht Mousje voor. Men voelde dat de oude heertjes hier welverzorgd en op hun gemak zaten uit te rusten en dat alles nu zou blijven zoals het was, tot het einde. Het was erg prettig om een uurtje bij ze te zitten en zij schenen het ook altijd aardig te vinden als Henri kwam. Dan maakten ze veel vriendelijke grapjes en de oude heer Matje, die de hele Jodenbuurt kende, omdat hij al zijn vijfenzeventig jaren in de Rapenburgerstraat had gewoond, vertelde lange verhalen over de mensen, die buiten voorbij het venster liepen.
‘Daar gaat Feivel Maarssen,’ zei meneer Matje. ‘Moet je kijken, Henri, zijn zolen hangen erbij, zou jij nu zeggen dat die man een paar jaar geleden de twintigduizend heeft getrokken?’ ‘Neen,’ zei Henri en bekeek geïnteresseerd de sjofele voorbijganger, ‘dat zou ik zeker niet zeggen.’
‘En toch is het zo,’ verzekerde meneer Matje. ‘Maar een goeie gek is-ie altijd geweest. Het geld was nog niet in huis of zijn broer, die voor geen cent is te vertrouwen, kreeg een tweede hypotheek
98