Henri bekeek schuw het geraamte, hij wist al lang dat ieder gewerveld dier een geraamte heeft, maar men dacht er niet aan als men een levende olifant zag rondlopen in zijn grauwe, schorsach-tige huid.
‘’t Moet een olifant zijn geweest,’ zei hij fluisterend. Er was niemand, maar hij kon toch niet hardop spreken.
‘Ga mee,’ zei Mietje, ‘ik vind het eng. Misschien is het binnen aardiger.’
Maar binnen was het nog erger. Ze kwamen in een lange zaal en daar, langs lange, lange wanden stonden in hoge glazen kasten alle skeletten opgesteld van alle dieren uit Artis, alle dieren uit de wereld. Van alle dieren hingen de botjes netjes in model aan een ijzeren stang gehaakt, zodat men nog kon zien welk dier het was geweest. Maar het was juist erg dat men dat nog kon zien, - men miste dan zo de mooie en grappige dingen. Van de leeuw miste men de manen en de zwiepende staart, van de herten het gevlekte vel dat op zonneplekken lijkt en van de aapjes hun glimmende schrandere ogen. Men moest nu juist naar al die gaten kijken waarin de ogen ontbraken.
Henri liep stijf rechtop langs de vitrines. Hij dacht er niet aan dat hij zou kunnen omkeren; nu hij hier was terechtgekomen, moest alles verder maar daarop volgen. En zoals hij eens, lange jaren geleden, zich had verdedigd tegen de obsessie van zijn hallucinatie, zo liep hij nu wanhopig te vechten tegen zijn angst voor de spookachtige en toch reële dierskeletten rondom. Hij wist dat het kinderachtig was om bang te zijn, want op school stond ook een honde-en konijneskelet en het spreekt vanzelf dat elk dier een geraamte heeft. Maar het was heel iets anders als men het opeens zo zag.
Toen ze langs de grote vitrine met de apeskeletten kwamen, merkte Henri opeens ontzet, dat hij nu voelbaar en zichtbaar bang ging worden, het bloed trok weg uit zijn hoofd en zijn maag ging draaien. Het kwam door de grote staande mensaap, die precies leek op het bleke mensengeraamte uit zijn droom die geen droom was geweest, - de vreemde gebeurtenis die nog altijd veel echter was dan de meeste andere dingen uit zijn herinnering. Als Mietje niet naast hem had gelopen, zou hij zich hebben laten overgeven, maar hij liep nu alleen nog stijver rechtop en nog vlugger, hij durfde niet meer opzij zien.
Opeens hoorde hij een trambel, een frisse luchtvlaag woei door de duffe museumatmosfeer. Paardehoeven klepperden op plaveisel en een ventersstem glamde luid met lange uithalen. Henri snoof gretig de buitenlucht in, meteen zag hij een openstaande balkondeur en met een greep naar Mietje’s hand, trok hij haar over de
95