jesmensen, de kinderen tipten op hun tenen langs de witgedekte tafeltjes. Juist sloeg een metalen slag de tijd. Henri keek omhoog, op de grote witte wijzerplaat wezen de wijzers halfvier. Wat ging de dag gauw voorbij. Er was nog maar een half uur over, want om vier uur zowat moest hij in de Stichting zijn, dan kwam oom Eli beneden na zijn dutje, en soms ging de oude heer meteen uit om een beetje te kuieren voor den eten.
‘Hoe laat moet je thuis zijn?9 vroeg Henri.
‘Dat komt er niks opan, ze weten dat ik uit ben, zeven uur is vroeg
genoeg.’
Het leek ongelooflijk heerlijk dat een kind zomaar tot zeven uur kon doen wat het wilde, even was Henri echt jaloers. Maar dat ging over, hij woonde nu eenmaal niet aan de overkant.
‘Ja,’ zei hij, ‘ik moet veel eerder weg want ik moet nog naar een oom en Ihuis eten ze om halfzes. Maar als jij wilt, kan je hier nog blijven.’
*Nee,’ zei Mietje, ‘samen uit samen thuis. Zal ik je een eindje
wegbrengen?’
Henri had zó graag ja gezegd, dat hij het bijna deed, maar hij wist dat hij niet bij de Stichting kon aankomen naast Mietje want als oom Eli thuis was, zat hij ’s middags altijd voor het raam. Dus zei hij nederig: ‘wees alsjeblief niet boos, maar ik moet heus alleen gaan.’ En toen dadelijk, om het goed te maken: ‘maar als je nu nog wilt, kunnen we wel langs het hek tussen de struiken naar het aquarium komen, dan zie je de vissen nog.
‘Nee, de vissen kunnen me niet schelen, we hebben thuis een hele kom met goudvissen, ik vind vissen dooie beesten.’
Ze stonden nu in de hal onder aan de brede trap die naar het museum voerde. Zoölogisch Museum stond er, Henri wist niet wat dat was, maar hij bedacht, dat buiten in de tuin Bet en Dorus en Karel rondliepen en dat die bij mooi weer vast geen museum zouden binnengaan. Als hij met Mietje de trap opging, was hij helemaal veilig. Het kon daarboven wel tegenvallen, maar hij wilde het laatste halfuur nog graag gewoon gerust naast Mietje blijven, het werd juist zo gezellig toen ze met z’n beiden aan dat tafeltje zaten.
De trap was heel breed, naast elkander klommen ze tree na tree omhoog, tegelijk de linkervoet heffend als op gymnastiek. Het was een leuk spelletje, ze lachten in elkanders ogen. Maar boven op het wijde portaal, verloren ze plotseling hun lach. Midden op de stoffige plankenvloer, op een zwarte verhoging, stond het reuzengroot karkas van een olifant opgesteld, men zag nog de gele slagtanden maar de slurf ontbrak op een akelige manier. ‘Ajakkes,’ zei Mietje, ‘wat is dat?’
94