‘Nou moe,’ lachte Mietje, ‘dat ziet-ie nou pas. Ik kon toch niet voor schandaal lopen naast zo’n jongen als jij! Heb-ik effe me best gedaan om an dat lintje te komen, - een appel en een fabergrift heb ik moeten geven.’
‘Je bent nu net een jongejuffrouw,’ zei Henri. ‘Maar mooier,’ vervolgde hij oprecht.
Mietje keek er blij van, en toen vond hij het nog prettiger om haar aan te zien. De glazen stonden leeg op tafel maar de kinderen dachten nog niet aan opstaan. Het was heel rustig en toch plezierig om zo tegenover elkaar te zitten en naar elkaar te kijken. Henri vergat zelfs even de aanwezigheid van Bet, hij bedacht dat hij Mietje’s kleine flinke hand met het zilveren kettingringetje wel goed zou kunnen tekenen zoals die nu lag in haar schoot.
Daar hoorde hij achter zich een paar stemmen die hij kende maar die hier niet thuishoorden, een paar stemmen van school. Drukke jongensstemmen, de ene zei: rotvent. Nu herkende hij ook de stem, die was van Karel Dirks, het vriendje van Dorus, misschien was Dorus er ook wel bij. ‘Sodemieters!’ zei een stem, ja dat was Dorus, die deed altijd zijn best om grote vloeken te zeggen. Henri voelde zijn knieën flauw worden, - als Dorus hem zag met een meisje, wist morgen de hele klas ervan, dan bleven ze hem het hele jaar plagen. Hij stond haastig op maar zorgde dat de stemmen achter zijn rug bleven. ‘Ga mee!’ zei hij tegen Mietje. Zonder verdere uitleg duwde hij zich een weg tussen de tafeltjes tot hij de stem van Dorus niet meer hoorde. Als Dorus morgen wat zei, kon hij altijd volhouden dat hij niet in Artis was geweest.
‘Daar ging een jongen van je school,’ zei Mietje. ‘Die lange van de apotheker op het Rokin. Ook een fijn merk zeg, Anna hebt ’m onlangs een op z’n smoel gegeven, - nou als die me voor een Artisdag had gevraagd, was ik niet meegegaan, hoor!’
Henri voelde zich blij van binnen omdat ze met hem wel een Artisdag had willen houden, maar hij kon nu niets daarover zeggen, hij stapte vlug verder zonder om te zien. Nu stond hij voor de opengeslagen deuren van de grote eetzaal, haastig stapte hij naar binnen, zo was hij Dorus Steeman kwijt. Maar een keurige wit-zwarte kelner kwam verontrust aanlopen, ‘Geen kinderen hier!’ riep hij en wees met zijn arm de tuin in.
‘We wilden naar boven, naar het musem,’ jokte Henri haastig en beleefd, hij wist dat hier een museum moest zijn maar was er nog nooit geweest. ‘Voor deze keer kan je doorgaan,’ zei de kelner, ‘maar de ingang is buitenom.’ - ‘Dank u,’ zei Henri, het was een opluchting, dat hij niet terug hoefde langs Dorus.
Het deftige restaurant was helemaal leeg, daar kwamen geen kwart-
93