Gek. Voordat iets prettigs begint, is het net of dat het laatste is in de wereld, of daarna nooit meer iets gebeuren zal. Maar later komt al het andere opeens weer terug. Hij stond op het brugje naast Mietje, die handenvol kleine kaakjes strooide voor het plassend en snaterend vogelvolk, dat heen en weer drong en duwde in het donkerbruine water. Maar al zijn plezier was weg. Ze waren nu onherroepelijk op weg naar de uitgang van Artis, ze konden niet meer terug naar de achtertuin omdat Bet daar liep en omdat het zeker al drie uur was.
Zijn voeten deden nu echt pijn, ook omdat zijn laarzen de laatste tijd allemaal een beetje te klein werden. Hij bedacht dat hij nu nog wel ergens zou willen gaan zitten om Mietje echt te trakteren, het moest nu meteen gebeuren, eer de dag helemaal om was. Toen Mietje de laatste kruimels had uitgeschud boven de eenden wees hij naar de stoeltjes en tafeltjes van het terras en zei: ‘ga mee, dan mag je kiezen wat je wilt drinken.’
Dit klonk niet zo koninklijk als hij wel had gewild. Het was het allerlaatste en allerheerlijkste geweest van het programma, toen hij het ’s morgens in bed opstelde, - eerst zou hij Mietje alles laten zien, hij had precies geweten hoe dat moest, hij had zich met haar zien gaan van het ene dier naar het andere, telkens naar iets mooiers, en hij zou haar dan uitleggen waarom het zo mooi was zodat ze Artis even heerlijk zou vinden als hijzelf. En als alles was gezien, zouden ze samen aan een tafeltje zitten, allebei achter een glas met een rietje, daaroverheen zouden ze elkaar aankijken en weten dat ze zich nu alles samen konden herinneren.
Maar het was anders gegaan dan hij wilde. Eigenlijk al dadelijk, omdat Mietje nooit echt luisterde naar wat hij zei, maar dat was het ergste niet, hij zag dat ze erg genoot en dan ziet men de dingen toch wel. Het ging mis omdat hij zelf niet meer echt blij kon zijn, hij kon nu niet tevreden aan een tafeltje met haar gaan zitten en weten dat ze alles had gezien wat hijzelf mooi vond, daarbij kwam nog de angst voor Bet, hij zou de hele tijd moeten blijven kijken of Bet niet deze kant opkwam.
Hij legde zijn hoofd tussen zijn handen, zijn ellebogen steunden op het tafeltje, een raar verdriet steeg naar zijn ogen. Maar Mietje, aan de overkant, deed opeens net als hij, met haar kinnetje in haar handen steunde ze haar ellebogen op het tafelblad, alleen keken haar ogen heel grappig en een beetje spotachtig in de zijne. Toen moest hij weer lachen en hij drukte het wiebelend tafeltje onder zijn armen naar zich toe, om-en-om lieten ze het schommelen naar hun eigen kant.
Daar kwam de kelner aan: ‘niet zitten spelen jongelui, als je hier
91