schudde driftig zijn manen naar de kei die hij loskrabde. Henri voelde zich een beetje benauwd staan naast de prekende meubelmaker, hij kon niet doorlopen, om Mietje, maar hij hoopte toch dat de man geen antwoord van hem verwachtte. Hij keek om zich heen naar een beter plaatsje.
Opeens sloeg een panische angst door hem heen. Hij rukte Mietje’s arm weg van het hek. ‘Ga mee, direct, - gauw - gauw - daar is je moeder!’
‘Bè-je-belazerd?’ schrikte Mietje, maar ze gooide toch haastig het bundeltje gras in het hok en rende achter Henri aan. Die schoot dadelijk om een hoek het pad in naar de brug; tussen de struiken spiedden de kinderen voorzichtig naar de rug van Bet.
‘Ze heeft ons vast niet gezien, ze kijkt alleen naar haar vent en ze weet niet beter dan dat ik naar het Tolhuis ben,’ troostte Mietje fluisterend. ‘Kijk maar, ze heeft reuzenlol, als ze ons in de gaten had, zou ze wel een ander gezicht zetten.’
Henri zag hoe Bet met een brede blonde zeeman langs de zebra’s stapte, nu kneep die in haar blote arm, ze gilde en stompte tegen zijn bil. Neen, ze dacht niet aan Mietje, dat was zeker.
‘’t Is dat ze tegen Sellie zou kletsen,’ peinsde Mietje, ‘maar anders kon het niks geen kwaad als ze ons zag. Je mag een ander toch zeker wel trakteren als je de centen hebt, en jij hebt waarachtig genoeg.’
Henri gaf geen antwoord. Natuurlijk had Mietje gelijk dat men wel met een ander kan delen, maar dat gold niet voor thuis, dat gold alleen aan de overkant. Thuis werden zulke gewone dingen juist ongewoon, - neen, het stond vast dat niemand iets mocht weten. Maar daarmee was opeens de hele pret bedorven, de tuin werd meteen helemaal anders omdat ze nu overal Bet konden tegenkomen. ‘Laten we maar de andere kant opgaan,’ zei Henri. Het was wel verdrietig, ze konden nu alleen nog naar de pelikanen want Bet liep verderop in de richting van het aquarium.
Dat was heel erg, want het aquarium was het mooiste, het eigenlijkste en echtste van Artis, het was net of men daar eerst goed zag hoe dieren zijn. De andere dieren komen als men roept of brood geeft maar de vissen weten helemaal niet dat er mensen bestaan. Ze hebben een eigen wereld waar alles anders is, men kan alleen van buiten zien, dat ze zich bewegen door het koele water, maar men weet nooit waarom.
Hij voelde opeens dat hijzelf erg warme voeten had van het rondlopen, het moest zeker al een heel eind in de middag zijn. Hij had nog niet aan tijd hoeven te denken, maar nu merkte hij opeens dat het grootste stuk van de Hemelvaartsdag al voorbij was.
90