dacht aan Vader Jacob in zijn lange golvende mantel, midden tussen zijn tenten en zonen en vrouwen en kamelen, was dat mooier dan een stadhouder met een borstkuras en een geplooide kraag, hoewel Henri ook veel hield van Willem de Zwijger omdat die was doodgeschoten. Maar Vader Jacob was echter, hoewel men er geen jaartal bij leerde en wel begreep, dat het niet helemaal waar kon zijn.
‘Nu gaan we de zebra’s zien,’ zei Mietje, ‘heb jij nog wat voor
ze?’
Henri moest lachen, het was grappig dat Mietje alle Artisdieren wou laten eten, niemand mocht worden overgeslagen. Natuurlijk vindt een dier het prettig om iets te krijgen, maar men kan toch beter zien hoe het werkelijk is, als het gewoon rondloopt zonder aan de mensen voor het hok te denken.
‘De zebra’s eten geen apenootjes,’ zei hij. ‘We hadden van tevoren wortels of sla moeten kopen, maar daar heb ik niet aan gedacht.’ ‘Dan pluk ik wel een handje gras,’ troostte Mietje. Toen wandelden ze verder naar de zebra’s. Henri had zijn arm weer door die van het meisje gestoken, hij neuriede een beetje omdat de dag zo heerlijk veel uren had.
Er was een allerliefst zebraveulentje dat met de moeder speelde en een driftig hengstje in het hok ernaast, dat met zijn hoef krabde in de mulle grond en niet naar Mietje’s uitgestrekte grasbosje taalde. Zij riep en klakte met haar tong, maar hij keek niet om. Naast haar stond een lange man in een zwart pak en een nieuwe witte strohoed erboven, hij had een klein jongetje aan de hand, dat het heel warm had in een grijswollen bloesje en een matrozenpetje met lintjes. Henri had meelij met het jongetje, juffrouw Augusta was ook altijd zo bang geweest, dat hij kou zou vatten.
‘Kijk’ zei de man tegen het jongetje, ‘nu kun je zien hoe de Heer alles met overleg heeft geschapen. Kijk eens naar de strepen op dat beessie, hoe geregeld dat allemaal verloopt, - daar is een plannetje voor gemaakt, dat zie je zo.’ Henri keek naar de man, hij dacht wel dat het een meubelmaker zou zijn, zijn vingertoppen waren bruin zoals die van Hazewinkel, die voor pa de oude meubels restaureerde.
‘Ja,’ zei de man en nu sprak hij niet alleen tegen het jongetje maar ook tegen de twee andere kinderen, ‘wij kennen de Here uit de Schrift en uit de natuur. Maar wij moeten waakzaam zijn, want het gevaar is groot dat wij de natuur gaan zien door het oog van de Verleider.’
‘Vreet dan toch dom beest,’ riep Mietje en stak haar arm zover mogelijk tussen de spijlen. Maar de zebra bleef waar hij was en
89