Henri van de overkant

Titel
Henri van de overkant

Jaar
1936

Druk
1963

Overig
5ed 1963

Pagina's
255



schatten die bekeken mochten worden, - bijna dacht Henri dat dit echt zo was, al de mensen die rondom zaten, werden mede-gasten, die hij wel kende. Hij gaf dus ook van zijn zuurtjes aan twee kleine stoute jongens die de bank wilden omwippen en hij hielp een dom dik kruipkind overeind dat plat was gevallen in het grind. Hij voelde zich helemaal thuis in de Artisfamilie.

Hij dacht niet meer aan het huis op de Kloveniersburgwal waarin hij straks weer alleen zou zijn, hij dacht er ook niet aan dat hij nog naar oom Eli wilde. Ook hij zat te genieten; van alles om hem heen genoot hij zoveel dat het niet meer kon zijn. De witte pauw had zich gespreid tot een wuivende droomwaaier en de beide gekleurde hieven trots hun blauwgroen laaiende borsten omhoog. De edelfa-zanten tripten sierlijk rond en zwierden hun oranjegele staatsiesleep met vorstelijke nonchalance. In de verte rolde de donkere donder van het leeuwegebrul maar een witte zeboe achter zijn koele berg donkergroen gras, stond er rustig bij te kauwen. De lijdzaam gebogen zachte kop rustte zo vredig op de stille brede nek, dat Henri in zijn zak voelde naar het schetsboekje, toen pas viel hem in dat hij het ’s morgens expres thuis had gelaten om met Mietje uit te zijn. Hij hoefde niets te gaan doen, hij kon zomaar rondkijken. En toen zag hij voor het eerst van zijn leven de grote bronzen Boeddha met de gesloten ogen.

Vreemd, hij zag voor het eerst dat die er was. Natuurlijk had hij geweten dat bij het pauwenhuis een groot zwart beeld stond, een Indisch beeld van een man met veel te stijve armen, die ongemakke-lijk zat in een rare schelpachtige bloem. ‘Een afgodsbeeld!’ had juffrouw Augusta gezegd, toen hij ernaar vroeg, en dat zou dus wel zo zijn, al had hij zich de Baalbeelden uit de joodse les toch heel anders voorgesteld.

Maar nu zag hij opeens duidelijk, dat dit geen afgodsbeeld was. Een afgod kon niet zo kijken met dichte ogen. Als er iemand bestond die zo was, moest het God zelf zijn, want God ziet alles en is overal, maar in Zichzelf kijkt Hij met dichte ogen. Henri wist het omdat hij ook wel eens zijn ogen dichtmaakte. De dingen zijn er als men zijn ogen open heeft en dat is prettig, maar als men ze sluit kan men in zichzelf zien, waar niets gewoon bestaat en alles toch heerlijk is.

Natuurlijk zou het wel prettig wezen als men God net zo goed zag als de dingen, men kon dan helemaal zeker zijn dat men zich niet vergiste. Maar Henri had al gehoord van Mozes en Elia en het zou onzinnig zijn om te menen dat een gewone jongen in Amsterdam hetzelfde kon zien als twee grote helden en profeten in het Heilige Land, de enigen, zo had men hem geleerd, waarmee God zelf wilde

86

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.