zichzelf altijd erg kwalijk genomen, dat hij een kind was dat niet echt van zijn vader hield, - maar nu kon het best zijn dat dat niet zijn eigen schuld was. Hij hoorde ook voor een stukje van Bet, en toen het tot hem doordrong wat dat betekende, gaf het een schok diep in zijn hart. Ja, hij hoorde ook bij Betje-van-de-overkant, bij de mannen en vrouwen en kinderen van de overkant, bij iedereen uit de stad. Het was geen toeval, dat hij zo hield van al die mensen, die hij op straat tegenkwam. Hij hoorde niet alleen bij de jodenmensen, waarvan er op de hele wereld maar een paar zijn, hij hoorde niet alleen bij een uitverkoren volk, maar hij hoorde bij al de anderen, bij al de gojiem net zo goed. Hij voelde zich wijd worden, hij voelde zich houden van iedereen.
‘Ezel!’ zei Mietje. Ze was er opeens weer en greep naar het boter-hampakje dat van zijn knieën ging glijden. ‘Als ’t op de grond valt, kan je het niet meer eten.’
Toen waren al zijn gedachten meteen weg. Maar hij voelde zich nog erg gelukkig, - al geloofde hij toch niet meer helemaal echt wat Bet had gezegd van dat zogen.
Ze aten de boterhammen en deelden het krentenbolletje en Henri haalde van de kiosk een kogelflesje dat ze samen opdronken. Mietje liet zien hoe het puntje van haar tong vuurrood werd en Henri schonk telkens een grotere glashelft voor haar dan voor zichzelf. De zon scheen licht over hen heen en de tuin gonsde van zoemende insekten. Henri vond het een echte Hemelvaartsdag.
Alle mensen waren in Hemelvaartsstemming. De hele tuin was vol met opgewekte mensen, niet met de deftige mensen van andere dagen, de dames met de parasolletjes, de kindermeisjes en de witkanten baby’s van de leden, maar vol van de kwartjesmensen, die voor één dag bezit hadden genomen van een stukje Amsterdam dat alle andere dagen was afgesloten door een hoog hek. Hele families uit de Jordaan met opoe’s en opa’s en grote karbiezen vol eetwaar trokken langs de paden, de banken waren overvol dus zetten ze zich in het gras om de manden met broodjes en sinaasappels. Op dit middaguur was heel Artis een picknickveld, het Amsterdamse volk zat er breeduit, de vrouwen sloegen hun schone witte onderrokken terug van het groene gras, en reikten het maal aan in hun kleine kring. Het werkende volk, volkomen vrij voor een dag, genoot er, vredig kauwend en slikkend, van de zondagse traktaties, van de zon en de nieuwe zomerkleren en van het samenzijn met zijn kinderen die, al buitelend in het ruime gras, opeens anders en dierbaarder werden dan thuis in de nauwe straat of steeg.
Het was alsof allen te zamen waren genodigd op een prachtig feest waarvoor een fabelachtig rijk man zijn tuin had afgestaan en al zijn
85