Henri schaamde zich voor zijn krantenpakje met de vier kale boterhammetjes. Hij had die ’s morgens bij zijn ontbijt zelf afgesneden, want niemand mocht weten dat hij niet bij oom Eli koffiedronk, toen had hij ze haastig geboterd en weggepakt eer madame Pion beneden kon komen, ’t Was wel niet nodig geweest, want toen hij om tien uur wegging, was madame Pion nog niet beneden.
‘Ik heb er maar een paar, ik heb nooit honger,’ verontschuldigde hij zich.
‘Hier,’ zei Mietje en legde een reep spek voor hem neer. ‘Samen delen, ’
Henri had nooit spek gegeten, maar hij wist hoe het was. Het was grauwwit en vet, het hing bij lange lappen in de goedkope winkels en het kwam van het varken, - dat hij een lomp en vies soort beesten vond. Hij durfde de laatste tijd best alles te eten wat treife was, maar spek was erger dan treife, het was gewoon vies. Hij bekeek twijfelend de zware plak, maar toen hij zag hoe stevig Mietje haar witte tandjes zette in de grijze mik-met-spek kreeg hij opeens moed om te proeven. Als Mietje het lustte, kon het niet helemaal vies zijn.
Hij had ook wel honger vandaag, het was enig om zo in de open lucht zonder bordjes te eten. Hij vlijde de reep spek netjes tussen twee boterhammen en kauwde voorzichtig, zijn wenkbrauwen gingen erbij omhoog. ‘Lekker hè?’ vroeg Mietje.
‘Jawel,’ zei Henri, ‘een beetje lekker is het wel, — maar ik zou er niet veel van op kunnen.’
‘Dat hoeft ook niet want er is niet meer,’ zei Mietje. Toen begon ze opeens hard te lachen, haar hand sloeg op zijn knie.
‘Weet je wat je nu bent? - zeg? - een spekjood!! Moet je nu niet gaan biechten bij je rabbijn?’
Henri moest eerst lachen om het gekke idee, maar toen werd hij er ernstig van, hij had hier te veel over moeten nadenken.
‘Wij biechten nooit,’ zei hij. ‘God ziet het zo wel wat we doen. Als je dingen doet die niet mogen, moet je maar zelf weten wat ervan komt. Weet je’ - zijn stem werd opeens vertrouwelijk want hij ging iets zeggen, dat hij zelf had ontdekt, ‘weet je, ik geloof niet dat God het zo erg vindt, als een jood spek eet, maar als je elkaar bedriegt of zo iets, dan vindt hij het erger dan van een ander omdat de joden het uitverkoren volk zijn. Daarom vechten joden niet en ze zijn niet dronken en slaan hun kinderen niet zoals die mannen aan de overkant in de Bethaniestraat en...’ Opeens braken de woorden af, hij voelde zijn oren rood worden, hij bedacht dat Mietje ook woonde aan de overkant, hoe had hij zo onbeleefd kunnen zijn! Maar toen moest hij alweer glimlachen, ze woonde er wel, maar ze
83