armen en benen voelden hoe prettig dat moest wezen. Maar toen de aap zich van de mensen afwendde, onverschillig tikkend tegen de kinderachtige touwladder, en hij weer afgleed naar de plankenvloer met de vuile bananeschillen, stampte ze plotseling boos en ongeduldig met haar voet. ‘Het is gemeen om zo’n dier in een hok te zetten, reuzegemeen, - als hij toch een heel bos nodig heeft. Ga maar mee, Henri.’
En zo gingen ze, een beetje verdrietig. Henri bedacht voor het eerst dat Artis wel eens niets zou kunnen zijn voor Mietje. Bij de kleine apen keek hij haar van terzij aan, ze lachte wel om hun gekke manieren en ze legde wel de nootjes in hun bedelhandjes maar hij zag duidelijk dat het een teleurstelling was. ‘’t Zijn akelige hebberige beesten, ze grijpen mekaar alles af, kijk nou,’ - en ze wees naar een grijs aapje, dat van zijn vruchtbaar plekje werd verjaagd door een grote baviaan. ‘Verdomme, dat kleintje lijkt op malle Moossie en die smerige grote judas is precies de slijter van de hoek. Wat een smoel, zeg!’ Ze spuwde verachtelijk naar de baviaan.
Bij de roofdieren werd het erger. Met de tijgers die onafgebroken maniakaal langs de tralies draafden, had ze zo’n medelijden, dat ze niet naar ze kijken kon. ‘Dat moest verboden worden,’ zei ze. Toen onze Piet met vinkies naar huis kwam, heeft opa er direct een reuzekooi voor getimmerd, ze hebben er nog gebroed ook, maar op een avond heeft opa zelf het deurtje opengezet, - nou ja natuurlijk had-ie ’m toen om, maar hij zei toch maar dat-ie zoiets niet langer kon aanzien.’
Henri wist niets te zeggen, hij had het eigenlijk altijd heel gewoon gevonden dat de Artisdieren in kooien zaten want dat hoorde zo. Nu begon hij erover te denken dat Mietje wel gelijk kon hebben. Maar hij wilde zich in ieder geval niet de dag laten bederven, het was veel te heerlijk om samen uit te zijn. ‘Laten we boterhammen gaan eten, ergens op een bankje,’ zei hij.
Hij kende alle prettige banken in Artis; tussen de bosjes en struiken waren veel stille hoekjes waar hij vaak zat als hij zijn schetsjes uitwerkte in het linnen schetsboekje. Hij had al van tevoren vastgesteld dat hij met Mietje boterhammen zou eten op een bankje achter het pauwenhuis, waar men ook de edelfazanten kan zien maar waar men zelf niet licht gezien wordt omdat het bankje staat tussen vlierstruiken.
‘Goed,’ zei Mietje. ‘Ik heb een hele lading meegekregen.’ En ze pakte uit: vier sneden mik met spek en vier wittebrood met kaas en een krentenbolletje. Henri keek er verbaasd van. ‘Dacht je moeder dat je dat allemaal op zou eten?’
‘Natuurlijk, - waarom niet? ’t Is toch een hele dag!’
82