van zijn hok en stond daar in zijn volle breedte en gestrekte lengte voor het publiek, zijn zwaargeplante voeten wijd vaneen, zijn armen omhoog aan de tralies. Een zucht van angstige verwondering ging door de toeschouwers.
‘Wat een knaap!’ constateerde een werkman achter Henri. Er was respect in zijn stem.
Henri bekeek schuw het zich vertonende beest. Hij vond de orang-oetan een prachtig monster, maar niet om te tekenen. Het echte van de aap kon men niet tekenen, dat was veel groter dan een blad papier. Hij duwde zijn rug achteruit tegen de andere mensen, zijn schouders voelden zich smal.
Maar Mietje had zachtjes gezucht van plezier toen de aap overeind ging staan. Ze keek stil en ingespannen toe hoe hij zijn machtige kop langzaam wendde van links naar rechts. Zijn wijde borst rees en daalde, hij stond daar veel groter dan een van de mensen, hij was veel groter, hij liet zich zien zoals hij was en zijn fors ge-slachtslid hing hem betekenisvol tussen de ruige dijen. Maar zijn ogen staarden over de toeschouwende menigte heen, ze staarden naar iets dat er niet was. Mietje dacht dat het wel zijn groot, donker, Indisch bos moest zijn, ze volgde zijn blik, maar die stuitte tegen een bakstenen wand.
‘Waar kijkt hij toch naar?’ vroeg ze.
‘Nergens naar,’ zei Henri. ‘Misschien staat hij te denken, - waarom hij hier is, bijvoorbeeld.’
‘Kan een aap denken?’ vroeg Mietje.
Henri gaf geen antwoord want het was nu stil geworden, niemand sprak, het publiek keek ademloos toe.
‘Je zou zo zeggen...’ zuchtte eindelijk een zware burgervrouw.
‘Ja, zegt u dat wèl!’ antwoordde het besje naast haar. Ze knikte met haar hoofdje onder het zwartstrooien kapothoedje, het was een vrouwtje uit het Armenhuis, de grote grijze driehoeksjaal hing tot op haar voeten.
Een bleek onderwijzertje, achter de vrouwen, glimlachte smal naar zijn metgezel en formuleerde gewichtig: ‘De Darwinse theorie valt toch maar niet meer te ontkennen.’
Henri wist al wat de theorie van Darwin inhield, er was op school in zijn klas over gesproken toen de vierhandigen werden behandeld, hij vond het toen wel een leuk bedenksel. Maar nu, tegenover het halfmenselijk dier, werd hij er bang voor. ‘Kom,’ zei hij tegen Mietje, ‘laten we naar de kleine apen gaan, ’t is hier veel te warm.’ ‘Even nog,’ zei Mietje. Ze kon zich niet zat zien, een diep gevoel van tevredenheid was over haar. Alsof ze zelf ook zo zou kunnen staan, wijd en vast grijpend naar de dingen om haar heen, haar
81