Henri was ervan geschrokken, het was gek dat hij Mietje even had vergeten, maar het was zo. En eigenlijk, helemaal vergeten had hij haar toch niet, want hij had al die tijd wel gevoeld dat ze dichtbij was, daardoor was hij zo tevreden met de dromedariskop.
Mietje hielp hem de vogels bewonderen, de vorstelijke staalblauwe kroonduiven met hun ijl hoofdversiersel, de rijstvogels en vuur vinkjes die als flitsen kleur heen en weer schoten in hun kooien en de rare neushoornvogel met zijn groteske snavel, een komiek droom-dier. Maar het langst bleef ze staan voor de parkietjes, die hun zachte warme vogellijfjes aaneendrukten tot een rijtje knusse gemeenschappelijkheid.
‘Wat een dotjes,’ zei ze. Maar direct daarna: ‘nu gaan we naar de apies, hè?’
Henri hield eigenlijk niet van de apen, hij vond ze schreeuwerig en brutaal. Wanneer ze elkaar krijsend nazaten om een lap of een gebroken spiegeltje moest hij altijd denken aan de marktkooplui van het Waterlooplein, die ruziemaakten over hun rommeltje. Eigenlijk waren het net mensen die nu eens alle lelijke en vieze dingen mogen doen die ze kunnen bedenken. Maar dat is natuurlijk wel grappig en hij begreep best dat Mietje de apekooi moest zien. Maar eerst wilde hij naar de grote apen, want dat is anders. De orang-oetan heeft een mensengezicht dat niet weet hoe het denken moet, nu heeft het verdriet en kijkt naar de mensen voor het hok of die kunnen helpen.
De kinderen drongen zich door de mensenklomp tot vlak voor het spiegelglas waarachter het grote roodharige schepsel te kijk lag; het had zich loom uitgestrekt langs de planken vloer. ‘Hij ziet eruit of hij zich doodverveelt,’ zei Mietje, ‘de stakkerd!’ De aap liet zijn klein bruin oog onverschillig gaan langs de mensengezichten, even haakte zijn blik aan die van het meisje, er schoot leven door, toen sloot het zich weer lui. Zijn rug lag tegen de vloer vastgekleefd in een dodelijke onverschilligheid.
‘Waarom zetten ze zo’n groot beest in zo’n klein hok?’ vroeg Mietje. Henri keek, het hok was helemaal niet zo klein. ‘Ik denk dat alle hokken toch te klein voor hem zouden zijn, hij komt uit Indië uit echte grote bossen. Ze kunnen nooit een hok voor hem bouwen dat groot genoeg is.’
De orang-oetan rolde zich over op zijn zij, en krabde zich langdurig, minutenlang, het was of hij iets van zich wilde afkrabben, iets onzichtbaars dat hem erg hinderde. Men werd er verdrietig van als men ernaar keek. Maar onverwachts richtte hij zich toch met een zwaai omhoog van de vloer, zijn twee zware roodharige armen duwden zich los uit hun inertie, hij greep omhoog naar de spijlen
80