trole zou komen, maar hij had net een goed oudheertje aangewezen, die betaalde haar kwartje en toen mocht ze mee door. Dadelijk stond ze naast hem en eerst toen, samen achter het grote hek binnen in Artis, voelde hij zich helemaal gerust. De blijdschap sloeg in een grote golf over hem heen.
Het was inderdaad een vorstelijke vreugde. Daar stonden ze samen, met een hele lange dag voor zich, een dag zonder einde binnen de hekken van het grote Artis, dat een aparte wereld was in de stad met huizen, een tuin vol dieren en bloemen en vijvers, onder een blauwe lucht die wijder was dan boven de Kloveniersburgwal. ‘Ben je hier wel eens meer geweest?’ vroeg Henri.
‘Nog een keer met mijn opa,’ zei Mietje. ‘Maar toen was ik klein en toen moest ik telkens huilen omdat hij me bang maakte voor de beesten. Maar nu ga ik alles goed bekijken, je moet me alles laten zien.’
‘Ja, dat wil ik juist!’ riep Henri. ‘Ik ken al de beesten, ik weet precies waar we heen moeten.’
Hij zwolg in geluk, dit was zijn paradijs. Hij hield van Artis evenveel als van zijn verfdoos, misschien nog wel meer omdat alles er vanzelf mooi was en men uit de verfdoos nog kleuren moet gaan maken. Hij bracht Mietje langs de bonte papegaaien; het blauw en geel en rood van hun vleugels schitterde allervrolijkst in de zon. Mietje voerde ze apenootjes, ze luisterde verrukt hoe ze ‘koppie-krauw’ en ‘lorre-lorre’ konden zeggen, hij moest haar eindelijk meetrekken aan haar jurk omdat hij naar het vogelhuis wilde waar hij de kleuren nog mooier vond. Maar toen kon hij haar weer niet voorbij de hertjes krijgen en voorbij het kamelenhok waar een pasgeboren dromedarisje stond te drinken bij de moeder. ‘Kom toch mee,’ drong hij, ‘de vogels zijn veel prachtiger!’ Maar ze bleef on-verwrikbaar staan en toen hij in haar gezicht keek, werd hij meteen stil. Ze stond, met haar mond een beetje open, te glimlachen naar die dromedaris. Het was een vreemde glimlach. Henri dacht dat hij die wel zou willen tekenen. Haar ogen keken alsof achter de dieren nog iets anders was, dat ze graag beter wilden zien. Henri wist wel, dat men zo kijken kon, hij voelde het na in zijn eigen ogen, zo keek hij zelf wel eens naar iets moois, - nu probeerde hij het en zag de diep donkerbruine dierogen van de dromedaris die zijn kop gebogen hield over het kleine veulen. De kop was zacht met veel vriendelijk gebogen lijnen, de lichtroze tong hing gedwee over een gele tandenreeks, het was een kop die prettig getekend zou kunnen worden. ‘Later, thuis,’ dacht hij en bleef kijken door zijn oogharen. Maar opeens voelde hij Mietje’s hand over zijn ogen.
‘Slaap je? lange lijs lampekatoen!’
79