heldergeworden ogen. Mark begreep hem niet en dat kon ook niet, Mark zou nooit kunnen begrijpen dat men zich niet vasthield aan de dingen en de wereld. Hij moest zuchten, maar toen veranderde de zucht in een glimlach, die hij wonderbaar bevrijdend van binnen naar buiten voelde komen.
‘De wereld?’ zei hij, ‘de wereld? De wereld heeft mij niet nodig, ik hoor immers nergens thuis in de wereld! God ja, de wereld hoort wel bij mij, - natuurlijk, ik hou verschrikkelijk veel van de wereld, - soms is het of ik de hele wereld en al de mensen van binnen bij me heb. Maar ik kan blijkbaar niet gewoon meedoen met de mensen en de wereld.’
‘Individualist!’ schold Mark Zadoks, maar stak toch met een hartelijk gebaar zijn hand omhoog, terwijl hij wegdook in de drukte van de Nieuwe Hoogstraat.
Henri bleef alleen op de brug en zijn ogen moesten kijken, zoals altijd.
Links lag een walkant en rechts lag een walkant. Er was geen overkant hier, hij stond op de brug, hij voelde er zich staan. En plotseling stroomde zijn lichaam vol van een levende verwachting, zijn ganse huid werd ervan doortrokken. Een sfeer van betekenis gleed om alle dingen, hij hield zijn adem in. Hij stond niet meer toevallig in een toevallige wereld, maar ontving ademloos de aanraking van een waardig, plechtig bestaan.
Hij boog zich voorover naar het donkere water en hief toen zijn gezicht naar de lichte lucht. Een bedelvrouw die zijn glimlach zag, bleef staan en stak haar hand uit.
252