‘Ja, alsjeblieft,’ zei Henri gretig. Hij trok een stoel aan tafel, zijn hand streek tevreden over het blinkend zeiltje. Het was prettig glad en over de mahonie tafelrand liepen heerlijk gouden houtvlammen. Hij voelde zich innig thuis in de kleine opgeruimde kamer, waar de zon binnenscheen door de dunne vitrages. Alles was er echt precies zoals het er wezen moest. Het petroleumpitje en de koffiegeur en de oranje bloei van de zware clivia vulden de kamer met een tevreden huisluchtje. Daartussendoor kwam telkens het vrolijke geurtje in zijn neus, dat hij zich herinnerde van Stina en dat hij die morgen had teruggevonden toen Mietje bij hem lag.
Hij zat heerlijk tevreden op de biezen stoel aan de tafel. Hij bedacht dat hij wel altijd, zijn leven lang, zo zou willen wonen in zo’n kleine kamer, met een gladde lege tafel waarop hij zijn elleboog zou mogen zetten en houtskool morsen als hij tekende. En Mietje zou best mogen rondlopen om hem heen, ze hoorde er eigenlijk bij. Een beetje ruimend en redderend, zoals ze nu ook deed.
‘Wacht even,’ zei Mietje, ‘ik moet naar benee suiker halen bij de komenijsman. Ik ben zo terug.’
Henri stond op van zijn stoel en ging naar het venster, hij schoof de clivia opzij, maar het meisje was al niet meer te zien. Hij drukte zijn voorhoofd tegen de ruit, zoals hij thuis ook wel deed.
En toen zag hij vanuit de kleine werkmanskamer voor het eerst precies, hoe zijn vader woonde aan de overkant.
Een recht hoog huis tussen andere hoge, nette huizen. Iets precieuzer dan de andere, door de gerestaureerde geveltop en de beslagen deur. Maar met even smetteloos gepoetst koper en een lichtblauw geschuurde hardstenen opstoep. Al die keurige, welonderhouden huizen stonden stijf en een tikje arrogant aan de overkant, hun geveltoppen staken nog uit boven de bomen en huis aan huis waren alle gordijnen keurig gelijk gespannen of gedrapeerd, geen plooi hing scheef. Een paar gesteven dienstmeisjes spoten water uit gepoetste glazenspuiten tegen ruiten die toch al helder waren. Alles was ordelijk aan die overkant, nergens hing een drogende was of een bed dat gelucht moest worden, dat gebeurde zeker aan de achterzijde van die huizen.
Opeens stond Mietje naast hem. ‘Waar kijk je naar?’ Hij glimlachte.
‘Ik kijk naar jouw overkant. Hij is lang niet zo vrolijk als de onze.’ ‘Gossie,’ zei Mietje, ‘ik vind het juist zo netjes daar bij jullie.’
‘Dat lijkt maar zo, van buiten. Ik zou best willen ruilen, ik zou wat graag hier wonen, voorgoed.’
‘Dat denk je maar,’ zei Mietje luchtig. ‘Alsjeblief, daar staat je koffie.’ En ze wees naar de tafel.
250