was de stoep leeg en toen hij voor het huis stond, zag hij zijn vaders geelbleek gezicht binnen tegen het venster, onder de vergulde letters van Antiquités.
‘Waar kom je vandaan?’ vroeg mijnheer Godschalk. De ergste angst was al in hem neergezakt toen hij Henri in de verte had zien aankomen.
De jongen ademde diep. ‘Ik heb gelopen aan de overkant van het IJ,
- en ik heb er een tijd in het gras gelegen.’
‘Ben je niet op je examen geweest?’ Mijnheer Godschalk had een uur van worgende angst beleefd toen de jongen niet naar huis was gekomen, - kon hij zich niet van teleurstelling en wanhoop hebben verdaan na een mislukt examen? - maar nu bleek dat Henri zich willens en wetens had onttrokken aan zijn plichten, sloeg al zijn angst om in woede.
‘Jij hondsvot, jij niksnut,’ beet hij Henri toe, maar gedempt, tussen gesloten tanden, want de bediende trachtte te luisteren in de achterzaal. ‘Ga mee,* en hij duwde Henri voor zich uit naar de vestibule. ‘Gesaboteerd heb je, hè? jawel, zo zijn onze manieren. Godallemachtig, — ik kan barsten voor jou, hè?’
*Neen,’ zei Henri, ‘dat is het niet. Ik had u best een plezier willen doen, - maar het ging niet, - om mezelf. Ik wil geen koopman worden, ziet u.’
Mijnheer Godschalk stond een ogenblik stom met stokkende adem. Hij hoorde Henri’s stem en wist dat er iets met de jongen was gebeurd. Het was niet meer de onderdanig gelaten stemklank van een zoon die zijn vader antwoordt, het was de stem van een gelijke. Zijn hart werd koud van angst, - hij was zeker dat hij de oorzaak wist,
- de jongen had zich een mededinger gevoeld, die vorige avond. Voor het eerst merkte hij dat hij omhoog moest zien om Henri’s ogen te vinden, ze waren boven de zijne. Hij voelde zijn stem onzeker uit zijn keel komen toen hij ironiseerde:
‘En wat wou mijnheer dan wel?’
‘Schilderen!’ zei Henri.
En tegelijk lachte en jubelde zijn hele wezen, een trilling van geluk liep over zijn lichaam. Dat was het! Eindelijk, eindelijk had hij het echte gevonden, nu wist hij dan wat hij wél wilde. God ja! Schilderen. Schilderen! Schilderen!
‘Bij mijn leven niet,’ kefte mijnheer Godschalk, maar keek meteen angstig naar de deur van het magazijn. Toen schudde hij langzaam een gebalde vuist en sprak plechtig melodramatisch:
‘Zo zal ik hier doodblijven, als jij gaat verfsmeren.’
Henri voelde zich wee worden maar niet om zichzelf, hij vond het alleen zo erg dat zijn vader plotseling geen heer meer was maar te
248