gemoet. Ze zaten hand in hand.
Maar aan de wal moesten ze elkaar loslaten. In het donker onder het viaduct, drukte Mietje zich nog even helemaal tegen hem aan, maar bij de Schreierstoren liepen ze weer gewoon als vriendje en vriendinnetje naast elkaar.
De Geldersekade stonk naar de afval van de vismarkt. De stads-walm drong al nader, van de Nieuwmarkt kwam roezig geschreeuw en een oude knol sleepte een vuilniskar over de brug van de Recht-boomsloot.
‘Nu moet ik weg/ zei Henri. Maar op de Nieuwmarkt, waar ze uit elkaar moesten gaan, ieder naar zijn eigen overkant, bleef hij staan. ‘Nu begint het,’ zei hij peinzend, ‘nu moet ik gaan vechten tegen de anderen.’
‘Heb je spijt?’ vroeg Mietje.
‘Neen helemaal niet, ik weet nu tenminste zeker wat ik niet wil. Maar ik vind het natuurlijk beroerd voor mijn vader dat ik geen examen heb gedaan. Ik zal het hem voorzichtig moeten vertellen.’ ‘Hij weet het natuurlijk al lang,’ zei Mietje, ‘’t is al bij tweeën en je bent nog niet thuis geweest, dan weet hij nu wel dat er wat mis is.’
De jongen schrok, een enkel ogenblik. Hij voelde dat zijn vader nu angstig op hem zat te wachten, dat was een ellendig idee. Hij wist wel heel beslist dat hij voortaan zijn eigen wil zou doen, maar hij kon niet helpen dat hij nog medelijden had met zijn vader.
‘Ik zal hem maar gewoon vertellen dat ik geen examen kon doen,’ zei Henri, ‘het geeft toch niet of ik probeer hem iets uit te leggen. Straks kom ik nog wel even bij je langs om te vertellen hoe het is afgelopen. - En weet jij nu ook zeker dat je geen spijt hebt?’
‘Leg toch niet te zemelen, ik weet toch wat ik doe! In het e?rgste geval komt er wat van, - nou, - en wat dan nog? Mijn moeder heb mijn toch ook gehad toen ze achttien was. Als je toch handen hebt om te werken!’
Er kwam een grappig lichtje in haar ogen. ‘Ik heb nooit spijt gehad dat ik geen vader had, dat kan je me geloven. Als ik al die andere meiden zie, wat die voor slaag kennen krijgen! Maar als mijn moeders man zijn poten naar me wil uitsteken zeg ik: handen thuis, met mijn heb je niet te maken. O jó, ’t is zo gemakkelijk als je geen vader hebt!’
Henri lachte een smal lachje, stak zijn hand op en wendde zich naar zijn eigen kant van de Kloveniersburgwal. Hij voelde weer dat hijzelf wèl een vader had en dat hij hem veel verdriet moest doen.
Al van verre zag hij zijK, vader op de stoep staan, maar even later
247