Henri van de overkant

Titel
Henri van de overkant

Jaar
1936

Druk
1963

Overig
5ed 1963

Pagina's
255



je zeker niet erg veel van me, he?’

‘Natuurlijk wel. Ik ben voor jou,’ zei Mietje.

‘Van mij?’

‘Nee, voor jou. Vraag toch niet zoveel, we hebben vakantie!’ zei Mietje en legde haar borst tegen zijn borst en haar mond op zijn mond.

Toen ze tegen zijn schouder was ingeslapen, keek Henri tussen halfgesloten oogleden uit over het weiland. De grashalmen en bloemstengels, op gelijke hoogte met zijn gezicht, waren nu veel groter en belangrijker dan wanneer hij ze wandelend bekeek bij zijn voeten. Een bruin kevertje, dat balanceerde langs een winderank, werd een kennis, die hij met belangstelling een moeilijk werk zag verrichten, hij had werkelijk spijt, toen het beestje niet verder kon en zich moest loslaten. De paardebloemzaden, die de een voor, de ander na, wegzweefden van een uitgebloeide pluisbol, volgde hij met zijn ogen om te zien waar ze wel de grond zouden vinden om hun bloemenleven te beginnen.

Er stonden veel pluisbollen in het rond, en terwijl zijn slaperige ogen zich gingen sluiten, kreeg hij het gevoel dat hij ze al eerder ergens had gezien, maar mooier. Hun donslichte sterretjes waren nu grijzig maar hij herinnerde zich dat ze eens feestelijk wit waren geweest.

Toen wist hij het weer. Het was aan het raam met de ijsbloemen, waarop een reinwitte, fonkelende pluisbloem zich had laten zien zoals ze werkelijk was. Hij kon nu weer voelen hoe gelukkig hij toen was geweest, omdat er nog een echtere, mooiere wereld bestond. Zijn ogen waren nog niet helemaal dicht en hij zag een ronde pluisbol die vlak bij zijn hand stond te wiegen op de wind, heel duidelijk, met al haar sterretjes, doorschijnend worden in het zonlicht. De donsjes waren niet meer grijs, of zelfs wit, ze waren alleen nog lichte zonnepuntjes en dat was goed. Zijn ogen gingen zich sluiten in een wereld die precies was zoals ze wezen moest.

Toen snurkte Mietje tegen zijn schouder een kort, slaperig ronkge-luidje. En meteen was hij terug in de gewone wereld, die nooit helemaal kan zijn zoals ze wezen moet. Hij bleef wakker en moest veel denken.

Later werd hij toch wel weer blij. Op het stoombootje dat hen terugbracht naar Amsterdam, waren ze heel alleen; op dit vroege namiddaguur ging niemand naar de stad. Ze zaten op het voorschip en aten broodjes uit een zak die Mietje later opblies en met een knal stuksloeg. Het IJ glinsterde van zon, vlaggen waaiden op de Kamperboten en het kleine stoombootje stampte driftig de kade te

246

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.