of ze dronken ergens wat in een cafeetje. Maar ditmaal was alles
anders.
Mietje glimlachte, ze gaf geen antwoord, alleen schoof ze haar hoofd dichter naar het zijne. Hij legde zijn wang voorzichtig tegen de hare.
‘Jij schat,’ zei hij weer, hij voelde zijn keel dik worden, zijn bloed begon te kloppen in al zijn aderen. Toen nam het meisje zijn hand en legde die om haar linkerborst.
Het was een wonder. Onder die kleine ronde warme borst voelde hij haar hart kloppen met diepe slagen.
‘Ben jij ook zó?’ vroeg Henri.
Het meisje lag doodstil. Hij schoof zich dichter tegen haar leden, haar ronde warme dij lag tegen de zijne, door haar dunne jurk heen voelde hij de warme vastheid van haar vlees. Zijn borst wilde naar de hare, zijn ganse lichaam werd door het warme stuwende bloed naar haar toegedreven, hij kon zichzelf niet weerstaan. Met een gedempte vreugdekreet drukte hij zijn hoofd tegen haar borst, haar buik, haar benen, hij dook onder in de stroom van genot en liet alles met zich gebeuren.
En later lagen ze dicht aaneen, zo rustig, zo rustig, - Henri dacht dat hij zo zou willen liggen als hij dood zou gaan, - altijd, een eeuwigheid lang. Een eeuwigheid zonder dingen en zonder woorden, niets dan een zachtgonzende zonnige stilte met een kleine zoele windstroom, die vlinderlicht over haren en voorhoofd gaat. En het gelijkmatig dalen en heffen van een tevreden ademhaling tegen zijn zij.
Totdat plotseling een lawaaiig oproer losbarstte op het veldje. Twee kraaien vielen plotseling neer uit de lucht, rukkend en trekkend aan een stuk afval dat geen van beide wilde loslaten. Het werd een ordinair krakeel, de beesten pikten en sloegen en brachten grote opschudding onder het andere vogelvolk, dat plotseling sjirpend uit verborgen nesten omhoogfladderde.
‘O,’ zei Mietje en kwam overeind. ‘Wat een valse krengen!’ Ze wees naar de kraaien die elkaar onbarmhartig en venijnig toetakelden. Henri stak een zoekende arm naar haar uit, hij kon haar nog niet missen. Hij had zich voelen heelworden tegen haar aan, hij wilde nog niet terug in de wereld.
‘Ik heb honger,’ zei Mietje.
Henri zuchtte. Het was voorbij, hij moest terug. Vreemd dat Mietje alweer naar de andere dingen wilde. Terwijl hij zelf terugging, kwamen allerlei gedachten vreeswekkend aanstormen, hij begreep niet dat zij daar nu zo kalm kon zitten en honger hebben.
244