Ze aten de kersen en spuwden de pitten zover mogelijk, tot in het slootje. Ze schoven nog een beetje dichter naar elkaar, hun vingers vochten boven het krantenpapier om de aller-allerlaatste, tot Henri hem triomfantelijk omhoog hield.
‘Ik heb ’m!’ riep hij. ‘En voor een zoen mag jij hem hebben.’ ‘Dat kan,’ zei Mietje en stak haar rode lippen vooruit. Henri proefde nog kersen op haar mond. ‘Jij schat,’ zei hij, toen zijn mond haar had losgelaten. Ze keken diep in eikaars ogen, hun voorhoofden negen naar elkander. Beiden zagen ze in elkanders glanzende pupillen hun eigen, gelukkig glimlachend gezicht.
De morgen werd heter, boven hun hoofden hoorden ze nu ook meer wagens en mensen langs de dijk. ‘Waar gaan we eigenlijk heen?’ vroeg Henri.
‘Weet ik het? Waar we terecht komen,’ zei Mietje. ‘We kunnen doorlopen naar Durgerdam, tot het fort. Daar ben ik eens met mijn opa geweest, toen hadden we broodjes mee en flesjes bier en toen hebben we de hele dag in het gras gelegen.’
‘Maar nu hebben we geen broodjes,’ herinnerde zich Henri. ‘Schrok! We kopen wel wat in Durgerdam. Ik heb nog zestig centen, dertig voor het bootje eraf, - dan kunnen we ons nog een kliek eten. - Vooruit, sta op.’
Ze hees hem op onder zijn armen. ‘Allo, lopen, je hebt nog geen voet verzet, - zo van het bootje ben je al gaan liggen.’ Hij liet zich overeind zetten, en deed zo lui mogelijk om Mietje te plezieren. Ze kon zo heerlijk moederen en bazen.
Ze liepen alweer boven op de dijk. De dag was nu niet jong meer, onder de hooggerezen zon ademde het weiland de geur van aarde en mest en bloeiend gras. Ze liepen niet gearmd maar hun handen raakten elkaar bij iedere pas. Totdat Henri dat telkens vinden en weer verliezen van die gladde, levende meisjeshand niet langer kon verdragen, en haar arm weer onder de zijne nam. Zo liepen ze verder en keken omlaag op hun voeten, die prettig samengingen in dezelfde stap.
‘Wat een goddelijke dag,’ zei de jongen, ‘ik zou wel altijd zo willen doorlopen.’
‘Ik ook, - als het kon,’ zei Mietje. ‘Maar een mens heeft maar één stel benen.’
Henri liet zich verder dragen door zijn plezierig in de maat gaande voeten, zijn ogen hadden de einder gevonden, waar de blauwe lucht en de groene weiden elkaar aanraakten in een trillende, lichte lijn. Die einder trok hem naar zich toe, hij wist wel dat hij daar nooit komen zou, maar toch gingen zijn benen alleen zo prettig omdat die grote open ruimte voor hem lag.
242