‘Ja, ja!’ riep Henri, ‘dat is het.’ Hij kreeg tranen in zijn ogen omdat hij nu pas goed merkte hoe erg dat was.
‘O zo,’ zei Mietje. ‘Nou, dan doe je geen examen. Doodgewoon.’ ‘Ja,’ zei Henri en haalde diep adem. ‘Dat kan, natuurlijk. Niemand kan me dwingen. Een arbeider kan staken en ik kan verdommen om examen te doen. God wat gek dat ik dat nooit heb bedacht. Natuurlijk, het kan. Ik ga er eenvoudig niet naartoe, - dat is alles.’
Zijn handen waren vuisten geworden. Mietje zag hoe het bloed in zijn wangen steeg, ze lachte blij in zijn ogen.
‘Vandaag zijn wij vrij van loonslavernij!’ zong ze. ‘Jö, ik heb toch zo’n zin om ook te gaan maandaghouen. - Laat het me twee kwartjes boete kosten! - Ga je mee de polder in?’
Een uitzinnige vreugde golfde omhoog, door Henri’s benen en lenden, over zijn borst en zijn schouders, en sloeg samen over zijn hoofd.
‘Ja,’ zei hij, ‘heerlijk, laten we dat doen. God ja! Natuurlijk! Waarom niet?’
Hij stak zijn arm onder Mietjes arm, zo stapten ze weg naar de Geldersekade. Boven hun hoofden speelde het carillon: ‘Vader, ik ga reizen.’ Het was halfacht in de morgen.
Ze liepen langs de Zuiderzeedijk, de morgen lag open boven de heldere polders. Aan de ene zij golfde het water, het was anders dan grachtwater of zelfs dan de Amstel, er was meer kracht in dit water. Aan de andere kant strekten de groene, door de dauw gewassen weiden in lange strakke repen tussen glimmende sloten. Overal stond het vee zwartwit in het groen, - lompe blonken zwaar vlees als men van dichtbij keek, maar rustig gaande dieren als men ze zag grazen in de verte.
De dijkhellingen lagen in zachtglooiende aangename lijnen, maar gele plukken boterblommen onderbraken telkens de lijn, telkens moest men kijken naar de weelderige goudgele vegetatie die nergens voor diende en er toch stond. Nu en dan knarste het grind, dan klapperden paardehoeven en een kar met brede wielen reed zwaar voorbij. Een voerman zwaaide groetend met zijn zweep, daarna bleef alleen nog een poosje zijn blauwe rug te zien boven blinkende melkbussen.
Een jonge pastoor wandelde hen tegemoet en keek vriendelijk afwachtend, zodat Henri groette. ‘Waarom groette je?’ vroeg Mietje. ‘Zomaar,’ zei Henri, ‘hij wilde graag. Ik hou wel van pastoors, -er was eens zo’n aardige oude baas in de zaak, - die had ik best
240