stond ze al bij de kar en greep met twee handen in de geurige rode piramide.
‘Hoeveel mijnheer?’ vroeg de koopman, maar Henri hoorde het niet, de rode kersen lagen zo prachtig te glanzen.
‘Wat moet je nou hebben, domme Hannes?’ vroeg Mietje.
‘Ik? hebben? - Niets!’ zei Henri.
‘Wel allejezis en ik houd die vent voor je an omdat je hem achteroploopt!’
‘Ja, eigenlijk wil ik wel een pond kersen.’ Henri glimlachte verontschuldigend naar het meisje. Haar blauwe ogen lachten terug naar de zijne, ze keek weer precies zoals ze kijken moest, zoals ze altijd keek wanneer ze elkaar ontmoetten. Het was of ze haar eigen vrolijkheid meebracht en die voor hem uithield om erbij in te stappen. De venter greep in de nog ongerept opgetaste kersen. Hij wierp de rode trossen op de glimmende koperen weegschaal, ze bungelden over de rand met een enkel groen blad ertussen. ‘Koninklijk rood,’ dacht Henri, hij stond te genieten en zag niets van de verveloze kar en de groezelige ventershanden, die zijn aankoop in een krantje rolden.
‘Vijftien centen!’ zei de man en hield hem het pak voor.
Henri tastte in zijn vest en toen haastig in zijn broekzak. Hij voelde zijn gezicht pijnlijk heet worden, maar hij moest het zeggen: ‘ik heb geen geld bij me...’
De venter trok minachtend maar gelaten zijn schouders op en maakte zich gereed de kersen terug te schudden op de kar.
‘Ho!’ zei Mietje, ‘ik heb centen. Geef mij meteen een half pond.’
- ‘Alstublieft juffrouw,’ zei de man, plotseling onderdanig beleefd.
‘Juffrouw?’ dacht Henri en keek met verwondering naar Mietje. Natuurlijk, - het was waar, - ze was al een mens, een vrouw. Ook wel een lief meisje en vooral gewoon ‘Mietje’, - maar toch een vrouw. Meteen zag hij dat ze leek op het ‘Meisje aan de onderdeur’ van Rembrandt, waarvan hij onlangs in de Oudemanhuispoort een reproduktie had gekocht. Hij had die gravure boven zijn bed gehangen, hij had er dadelijk van gehouden, waarom wist hij niet,
- en nu leek ze doodgewoon op Mietje.
Henri keek door zijn oogharen, - waar zat toch die gelijkenis? Hij kon ze niet meer vinden, Mietje was veel levender.
De koopman was al doorgereden. Ze stonden tegenover elkaar, ieder met een krantenpakje in de hand. ‘Je kon me wel bedanken!’ vond Mietje, ‘als ik niet was voorbijgekomen, had jij geen kersen.’ ‘God ja,’ zei Henri, ‘wat ben ik toch een ezel. - Mijn dag begint prachtig, - als ik op mijn examen ook zo suf, kan het goed worden.’
237