beginnen, zijn voorhoofd vroeg waarom dat zo was, - waarom alles was zoals het was. Hij voelde dat een hete traan omhoogschoot uit zijn hart naar zijn ogen, hij zette zijn tanden op elkaar maar zijn voorhoofd trok hoger en hoger, de spieren wilden niet anders, hij werd er angstig van.
Hij keerde zijn rug naar de boventrap en ging de lange rode loper af door de witte marmeren gang, hij lette ook nog op een powder-blue kom in de vestibule. Toen lichtte hij de zware koperen ketting van de voordeur.
Even bekroop hem het vreemde gevoel dat hij nu pas bezig was om goed wakker te worden, - dat hij zich slechts in de droom had gekleed en zijn schoenen aangetrokken, zoiets was hem wel meer overkomen. Maar toen hij de voordeur wijd had geopend en de buitenlucht in zijn neusgaten drong, wist hij zeker dat hij wakker was. Hij zag de blinkende gracht met de beweeglijke waterrrimpels en de goede bekende iepen vlak voor zich.
Hij zuchtte van opluchting, wel twee-, driemaal, toen ging hij lopen. Hij wilde een paar grachten lang onder de iepen en bij het water blijven, net zolang tot zijn voorhoofd weer helemaal gewoon zou zijn.
De gracht was nog stil. Op een enkele gemeerde vrachtschuit rolde men houten vaten naar de wal, dat gaf het enige geluid. Een schippersvrouw hing roodbaaien manshemden aan een lijn, die gespannen was tussen een vergulde vlaggestok en een grasgroengeschil-derde kajuit, de kleuren waren bekend maar maakten nu nog blij-der dan anders. Ergens gleed een puts in het water en liet wijdwor-dende kringen van zich uit. En omhoog in de lichtblauwe lucht ontplooiden een paar witte wolken zich langzaam tot een openwaaiende veder.
Henri liep op de hardstenen walkant, zo bleef het uitzicht vrij. Aan de overkant rolde een handkar, hij keek en zag opeens een mooi donker rood, het was een kar met kersen. Hij haastte zich over de brug naar het Rusland, de planken klonken hol onder zijn voetstap en hij wenkte de koopman, maar die stapte door achter zijn kar. Het verwonderde hem niet, - als hij wel eens in een koffiehuis zat, was er gewoonlijk ook niemand die merkte dat hij bediend wilde worden.
Maar daar klonk een vlugge meisjespas. Henri hoorde en zag dadelijk: dat is Mietje. Hij had haar nu in weken niet ontmoet, maar hij twijfelde geen enkel ogenblik, ondanks het onbekende gele japonnetje.
Ze wenkte van de huizenkant dat de karreman stil moest staan. ‘Kijk toch uit je doppen ezel, je laat je klanten achteranlopen.’ Toen
236