was nog geen kar die ratelde. Het kleine klokje tikte hel en haastig maar het wees nog geen tijd. Henri lag stil en staarde in het blind-wit van de neergelaten lancasters.
Ook het huis was nog doodstil, de mensen sliepen nog achter dichte deuren, - ‘laat ze slapen, ze zijn van zichzelf, niet van mij,’ dacht de jongen, de woorden spraken zich in zijn hoofd. Langzaam liet hij zijn knieën terugzakken, zijn handen gleden langs zijn dijen.
De komende dag kwam dichterbij en kneep in zijn hart. Hij herkende nu de dag. Het was het eindexamen, maar het was erger dan dat. Ergens lag een puinhoop.
Tegelijk zag hij de hak van zijn vader die rondtrapte in het pastelkrijt. Juist, dat was het. Alles was stuk.
Een gouden visje lag bloedend te krimpen en een gebarsten stem kreet onmachtig woedende woorden. - Hij was weer terug in de wereld waarin hij leven moest. Nu wist hij waarom die wereld vandaag nog angstaanjagender was dan alle andere dagen. Niet door het eindexamen. Maar doordat hij zelf niet thuishoorde in die gewone dagelijkse wereld waar iedereen moet weten wat wel en wat niet mag.
Hij had weer eens iets gedaan wat men niet doet. En ditmaal was het fataler geweest dan de vorige keren, hij had het kunnen zien en horen aan Julie en aan zijn vader. Er was door zijn schuld iets gebeurd wat niet had mogen gebeuren, hij durfde zich nog niet precies herinneren hoe het was gegaan. Alleen wist hij, dat hij met zijn domme grotejongensvoeten was binnengestapt in de volwassen wereld. Nu stond hij daar en wist geen raad.
‘O God,’ dacht hij. Maar hij had al in zo lang niet gebeden, dat hem niet inviel om God om raad te vragen, hij dacht nooit meer aan God. Hij lag maar onbeweeglijk op zijn rug en hoopte dat het nog lang stil in huis zou blijven. Maar het klokje tikte haastig de dag tegemoet, hij wist wel dat het huis niet stil blijven kon. Zo lag hij dus op zijn rug te voelen, hoe zijn hart uitzette en inkromp in een pijnplek van afkeer en tegenzin.
Toen hoorde hij een wekker aflopen en wist hoe laat het was. Halfzeven, - het was de wekker van de keukenmeid. Meteen zat hij rechtop. Hij had bedacht, dat hij naar beneden moest om te zien of er van zijn pastels nog iets te redden viel. Als hij niet gauw ging, zouden de dienstmeisjes gaan opruimen en alles weggooien. Dat mocht niet, hij kon nog wel wat bij elkaar zoeken.
Vlug trok hij zijn kleren om zich heen, hij waste zich niet en liep meteen naar beneden. Zijn ongepoetste schoenen droeg hij in zijn hand, hij mocht niemand wakker maken.
233