nog met pijn maar daarna was er toch het einde.
Hij schoof zijn buik nog verder over de vensterbank. Nu nog één zetje, en hij had niets meer te doen. Daarna zou alles verder gebeuren zoals het moest, zoals het vanzelf sprak. ‘De valwetten van Newton,’ zeiden zijn hersens, maar de formules waren er niet bij. Hij klemde zijn handen tegen de rand van de plint.
En toen zag hij aan de overkant het licht branden in de huiskamer bij Mietje. De matglazen ballon met de geelpapieren kap waaronder hij nog niet zo lang geleden had gezeten.
Met een achterwaarts sprongetje vonden zijn voeten weer grond. Hij stond rechtop en ademde diep.
Hij smeet zijn kleren van zich af, viel tussen zijn lakens en dook diep weg, tot in de allerdiepste ellende van zijn hart. Daar peilde hij hoe het was, hoe erg het was, zijn buik trok ervan samen. Maar hij verzette zich niet, hij proefde en voelde al zijn ellende. Hij gaf zich over, het was eenmaal zo.
Hij had geen verdriet of medelijden met zichzelf, hij zocht ook niet naar een manier om alles beter te kunnen dragen. Hij had geen enkele gedachte, zijn hersens deden niet meer mee. De zware druk in zijn hart was het enige dat nog bestond.
Gebed in zijn aanvaarde ellende, zakte zijn lichaam doodmoe weg naar de slaap.
De volgende ochtend was het de twaalfde juli, de datum van het eindexamen.
De dag begon ’s morgens toen het nieuwe licht door een gordijn-kier een helle straal in de spiegel prikte. Henri werd er wakker van, zijn ogen gingen open en weer dicht. Hij had ook van iets anders wakker kunnen worden, want hij voelde dat uit al zijn leden de slaap wegschoot. Toen wist hij meteen met een scheut van angst, dat dit de dag was van het eindexamen.
Toch was de angst niet zo overweldigend als op de avonden dat hij het boek uit zijn handen moest laten vallen. De angst was tweederangs geworden. Daar achter was iets dat zwaarder was en groter, maar hij wist nog niet duidelijk wat het was.
Hij maakte zijn ogen open. De kamer bleek vreemd. Niets stond vast op zijn plaats, de meubels konden ieder ogenblik weghobbelen. Hij wendde zijn ogen af. Toen strekte hij zich lang uit, zijn tenen raakten de voetenplank, - werd hij te lang voor het bed? - haastig trok hij zijn knieën op.
De dag zat nog vast aan de nacht. Buiten klonk nog geen roep, er
232