lijf zich drukken tegen zijn borst, zijn dijen. Haar handen gleden opwaarts langs zijn armen, zijn schouders, zijn wangen, toen grepen ze omlaag naar zijn hand die nog het krijt vasthield; haar mond kuste en kuste en kuste die hand met intense, bevende lippen. Henri was niet verwonderd dat de droom verder ging, het was een droom die terugkwam, van langgeleden, uit zwoele jongensnachten. Hij voelde het kloppende bloed door zijn lichaam golven, het ruiste in zijn oren, alles was nu machtiger en geweldiger dan vroeger, maar alles was bekend. Alleen was er ook pijn en verdriet in deze droom, waarom wist hij niet.
‘Pauvre Juliette,’ zei hij, en streek langs haar wang en schouder, ‘pauvre Juliette...’
En op hetzelfde ogenblik scheurde een schor overslaande, woeste schreeuw de droom doormidden. Ergens, in een leegte schreeuwde het rauw: ‘Godverdomme!... Godverdomme!...’
De stem was een gemartelde stem, een krankzinnig ontsnapte stem, maar een mensenstem, geen droom. Het krijt viel uit Henri’s hand. Opeens stond hij in het felle licht, - aan de deur had Maurice Godschalk het zolderlicht aangeknipt.
‘Jij vlerk!’ zei Maurice Godschalk. Hij kwam langzaam naderbij, zijn lippen trokken weg van zijn tanden, het gromde achter in zijn keel. ‘Jij vlerk, jij schobbejak,’ zei hij nogmaals, duidelijk en zonder stemverheffing, toen schoot zijn hand uit en sloeg een dof kletsende slag op Henri’s wang.
Henri wankelde achteruit, hij greep naar de tafelrand, de goudvissenbowl kantelde langzaam, viel omlaag en sprong tegen een stoelpoot aan scherven. Het plenzend water kletterde neer, de spar-telsprongetjes van de visjes klakten een paar korte ogenblikken hopeloos tegen de vloer, toen was alles stil. Maurice Godschalk stond stijf en star midden in het ontredderd vertrek en staarde naar de tekening.
Henri’s hart klopte wild, overal tegelijk, in zijn keel en in zijn polsen en achter zijn oren. Het was geen angst en zeker geen schaamte, het was alleen of zijn bloed niet meer bij hem hoorde en naar buiten wilde om te vechten met zijn vader. Hij sidderde van oproer en tegenweer, maar hij kon zich niet bewegen, zijn knieën beefden te veel.
Langzaam stak Maurice Godschalk zijn hand uit, het volgend ogenblik greep hij de rand van het tekenvel tussen duim en wijsvinger, en trok het met korte scherpe rukken van het bord.
‘Non! Non!’ kreet Julie en greep naar de tekening.
‘Jij stuk drek,’ zei Maurice Godschalk, duidelijk articulerend, langzaam en nadrukkelijk sprak hij woord voor woord. ‘Jij smerig del,
230