dadelijk alle kleuren kon vinden zodra hij zijn hand uitstak; bij de vorige had hij altijd moeten bedenken met welke kleur hij maar tevreden zou zijn.
Hij spande een vel tekenpapier over het bord, toen keek hij rond en liet zijn ogen zoeken. Maar het kamertje was vijandig, er was niets dat getekend wilde worden. Hij had er teveel en te hopeloos gezwoegd, hij was de laatste tijd nooit zonder weerzin zijn deur binnengegaan. Er stond nu niets meer dat hem aankeek.
Toen wist hij opeens, wat hij wél wilde tekenen. De goudvissen van tante Julie. Hij zag ze voor zich, alsof ze vroegen om door zijn hand te komen.
Even voelde hij zich benauwd door de gedachte aan zijn vader. Die zou mopperen dat hij zijn laatste avond verdeed met tekenen. Maar het was niet erg, hij zou zeggen, dat hij klaar was met al zijn werk. En toen, ondanks alles, kwam een ironisch lachje in hem omhoog, - zijn vader zou inderdaad geloven dat men klaar kon komen met al dat werk.
En daarna herinnerde hij zich opgelucht, dat zijn vader niet thuis was, hij was weggegaan, naar een loge-avond.
Hij nam het tekenbord en de pasteldoos en daalde de trappen af. Hij zou de goudvissen meenemen naar de salon; onder de kristallen kroon tintelde alles veel meer. Het mocht wel in de salon, -tante Julie was nooit bang dat zijn kleurkrijt stuiven zou, zoals zijn vader.
Hij vergat te kloppen. ‘Ik kom uw goudvissen halen,’ zei hij opgewekt, nog op de drempel van het boudoirtje. En toen moest hij plotseling onbeweeglijk blijven staan, omdat zijn bloed in een heerlijke schrik door zijn hart schokte. Hij had nog nooit zo iets moois gezien.
Julie lag op de divan, bijna naakt. In de hete avond, alleen, had zij het hinderlijk korset en de gesteven onderkleren van zich afgedaan, de haarspelden uit haar kapsel getrokken en zich uitgestrekt op haar smalle chaiselongue. Nu, terwijl ze zich omwendde naar de deur, was ook de kimono van haar schouders gegleden. Haar blank lichaam lag rossig in de lichtkring van de oranjerood omsluierde leeslamp, haar stromende haren leken vuurrood. De wemelende goudvissen op het tafeltje naast haar, flitsten als rode glansen door het kristal van de kom en de schaduwen in haar hals waren purper. Buiten de lichtkring, lager, in het golvend dal tussen haar borsten en over haar kleine ronde buik vielen de schaduwen rossig-blauw, ze vergleden vager en donkerder naar een uiterste diepte, waarheen Henri’s ogen haast niet dorsten kijken. Maar over haar benen lag nog wijd gespreid de groensatijnen kimono met de kers
228