Henri van de overkant

Titel
Henri van de overkant

Jaar
1936

Druk
1963

Overig
5ed 1963

Pagina's
255



‘’t Is maar komedie, domme Juliette,’ zei hij. ‘Kom, willen we nog wat rondlopen?’

‘Neen,’ zei Julie, ‘ik kan al die gezichten nu niet tegenkomen. Wil jij?’

‘O neen,’ zei Henri. ‘Ik zal een kop koffie voor u halen.’

‘Als je me Juliette noemt, moet je ook ‘jij’ zeggen, dat hoort erbij.’

‘Natuurlijk, graag,’ zei Henri en ging naar de foyer om koffie. Toen hij terugkwam, vertoonde Julie’s gezichtje geen spoor van tranen meer. Maar toen hij even opkeek van haar koffiekopje waarin hij voorzichtig room en suiker roerde, trof hem opnieuw hoe vreemd haar ogen waren geworden. Ze glansden diep en donker en hingen met een hongerige blik aan zijn handen.

Sedert die aprilavond veranderde er iets in huis. Henri had niet kunnen zeggen wat het was, maar hij kon weer door de woonkamers lopen, hij vluchtte niet meer zo vaak in de veilige haven van zijn eigen kamertje. De meubelen hadden weer een gezicht. Wel niet hetzelfde gezicht als in vroeger tijd, toen ze er stonden met het vriendelijke maar huisbakken voorkomen van dingen die er altijd zijn, neen, er was een prikkelende nieuwheid om al het huisraad. Het was ditmaal niet zijn verbeelding die het zo maakte, er kwamen werkelijk nieuwe glansen over de huiselijke omgeving. Mijnheer Godschalk had altijd wel kostbare of bijzondere dingen mee naar boven gebracht, maar die stonden er nooit voorgoed, het was antieke koopwaar die hij wel eens wat langer bekijken wou en die onverschillig door de kamers schoof en weer verdween. Nu echter kwam de levende schoonheid van de tijd naar binnen en scheen zich thuis te voelen. Een vaas van Lalique, een gestolde droom van blauwwit iriserende doorzichtigheid, had de zware em-pirependule verdrongen van de schoorsteenmantel, een Venetiaan-se rozenbowl verlichtte een hele kamerhoek die tot dusver donker was geweest, een geborduurde crèmezijden sjaal was over de zwarte rug van de vleugel gegleden. Telkens scheen het lentelicht op een andere pasontloken vreugde.

Maurice Godschalk zag verwonderd toe. Op een dag vond hij midden op de wortelnoten tafel van zijn deftige salon een grote kristallen kom vol wemelende goudvissen, het leek hem een kindergril, die Julie nu eindelijk eens bevredigd had. Hij kritiseerde ditmaal niet, maar bracht de kom eigenhandig naar haar boudoir, hij kon het eindeloos kringen en glijden der vissen niet verdragen, het maak

222

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.