vaak voor zijn eigen kleine spiegel uitgetekend. Dit gezicht was heel anders, - het keek niet onderzoekend en niet vragend en niet angstig, - het leek of het droomde - een wonderlijke droom van onbekende dingen die zoet en ook bitter konden zijn. De ogen wilden niet helemaal opengaan, de oogleden bleven hangen over de pupillen en de mond was week. Vreemd, hij wist niet dat hij dit gezicht had.
‘Het rijtuig is voor!’ kwam mijnheer Godschalk zeggen.
‘Julie, wat heb je met die jongen gedaan? hij ziet eruit of hij vijfentwintig is!’
11 est trés bien ainsi!’ - Julie ging voor en Henri volgde in het spoor van haar zoet parfum.
Ze zaten naast elkaar in de fluwelen fauteuils waarvan ze de armleuning deelden. Henri had alles gedaan wat een cavalier behoort te doen, hij had Julie uit het rijtuig geholpen, haar de sortie af genomen in de vestiaire, een programma gekocht en de klapstoel voor haar neergehouden tot ze zat. Hij had het heel graag gedaan, want ze was zo prachtig dat hij er eerbiedig van was geworden. Voor het eerst had hij gezien dat haar gezicht ook prachtig kon zijn, anders vond hij het alleen maar aardig. Maar nu zag hij dat ze wonderlijk mooie ogen had, grijsbruine ogen die donker konden worden. Hij zag het voorgoed duidelijk toen het in de zaal licht werd na het tweede bedrijf.
Natuurlijk had hij niets gezien tijdens het spel. Hij vond het theater nog altijd iets heel bijzonders; zodra het gordijn uiteen was geschoven, leefde hij alleen nog maar op het toneel. Zoals hij vroeger, bij de poppenkast, ook nooit iets had gemerkt van de mensen om hem heen, maar de slagen voor Katrijn had opgevangen, en meegegriezeld met Jan Klaassen omdat de galg werd opgezet. Hij was nu weggeleefd in de romantiek van de Spaanse troonopvolger, die mooie, slanke, ongelukkige jongeman, die met zoveel noblesse door het spel ging en hunkerde naar een hart dat hem begrijpen zou. Hij was ook zeer begaan met de fijne jonge koningin, die wel een heilige kon wezen, zo ingetogen en bereid tot dragen en toch vorstelijker dan een heilige is. Maar de Philips van Possart, die deze avond toch de hoofdfiguur moest zijn, bleef ver van hem af. Hij had teveel verdriet om de jonge mensen die eigenlijk voor elkaar waren bestemd en toch niet tot elkander mochten komen. Philips was te oud, hij kon zich van hem niet veel aantrekken. Maar toen het licht opging, en hij naar tante Julie keek om te weten hoe zij het stuk vond, was hij geschrokken teruggekeerd in de werkelijkheid van de schouwburgzaal. Haar ogen waren diep en
220