Ja/ zei hij met een alleen voor hem begrijpelijk sarcasme. Inderdaad. Waarom zou jij niet naar de schouwburg gaan als ik jaartijd heb?’
Die avond vond Henri op zijn kamer het nieuwe zwarte pak, dat op dringend verzoek van Julie nog haastig was af geleverd. Hij vond ook een wit overhemd, een glimmende hoge boord en een zwart strikje.
Hij kleedde zich, half geërgerd om de onnodige moeite en half trots op zijn correcte volwassen kleding. Voor de spiegel borstelde hij zijn haar naar achteren, de vochtige kam had het glanziger gemaakt en de golf lag prettig boven zijn voorhoofd. Even wilden zijn ogen gaan kijken zoals ze hadden gekeken toen hij bezig was met zijn zelfportret, er kwam een vraag in en een kritiek. Maar zijn lippen lachten zijn ogen uit, toen keek hij niet meer, - fluitend sprong hij de trap af naar Julie’s boudoir.
Julie had afgezien van het grande toilette waarin ze Maurice Godschalk placht te vergezellen naar gala-avonden. Ze droeg een smal mauve crêpekleed, dat alleen haar hals en onderarmen bloot liet, haar schouders bleven bedekt. Om haar rosblond haar spande een gevlochten band van zeer kleine paarlen en aan haar fijne roze oren hing een enkele lange peervormige paarl, het waren de enige kostbaarheden die ze droeg.
‘Wat bent u mooi vanavond,’ zei Henri en moest toen lachen om haar verschrikt gezicht. ‘Ik heb juist niets bijzonders aangetrokken,’ zei ze, ‘is het nog te veel? Zal ik die oorhangers afdoen?’ Maar Henri schudde haastig neen, zijn ogen genoten zo van haar. Het mauve van de zijde, het rossiggoud van haar haren en de lange fijne paarlen die juist even afstaken tegen het blank van haar hals, waren verrukkelijk, - mooier dan bij Botticelli, - het waren kleuren van levende dingen. Hij stond zich zat te kijken, zijn lippen gingen vaneen.
‘Jij ziet er zo ook heel goed uit,’ zei Julie tevreden. Henri’s donkere, gretig genietende artiestenblik gaf haar een zoet gevoel van eigenwaarde. ‘Kom eens hier!’ Ze zocht in haar bijouteriedoos en stak een kleine briljant op zijn zwarte dasje. ‘En hier!’ Uit een sachet haalde ze een zijden doekje en duwde het in zijn borstzak, een zoet parfum van heliotroop steeg plotseling bedwelmend om zijn hoofd. ‘Zo, nu ben je helemaal zoals je wezen moet!’ Toen draaide ze hem naar haar grote staande kleedspiegel, waarin hij plotseling verwonderd zijn eigen spiegelbeeld ontmoette.
Hij keek en herkende zich niet. Was dat zijn gezicht, dat hem aankeek? Hij kende zijn gezicht toch, dacht hij, - hij had zich al zo
219