De plaatsen kwamen, men wist nu ook al in welk stuk Possart zou optreden, het was ‘Don Carlos’. Mijnheer Godschalk had even zijn voorhoofd gerimpeld, - eigenlijk was het een heel ongeschikt stuk in hun omstandigheden. Gelukkig verstond Julie niet veel Duits. Zelf had hij wel zin om te gaan, want Don Carlos was een goed stuk en ook vertoonde hij zich op een gala-avond gaarne met zijn mooie vrouw in de deftige stadsschouwburg.
Op de dag van de voorstelling echter kwam mijnheer Godschalk met een mistroostig gezicht aan het dejeuner. ‘Wel, wat is er?’ vroeg Julie. Ze leed deze ochtend aan haar gewone schuldgevoel na een tactvol geweigerd echtelijk samenzijn en haar toon was geforceerd kameraadschappelijk.
‘Dat kan jou wat schelen!’ bitste Maurice Godschalk. Julie neep haar lippen maar Henri meende te begrijpen. ‘Hebt u hoofdpijn, pa?’
‘Welnee,’ zei mijnheer Godschalk korzelig. ‘Maar ik heb daarnet het rebbetje van de gewre bij me gehad, hij kwam zeggen dat ik vandaag jaartijd heb van mijn vader. Ik had er niet aan gedacht, - dat is nu het eerste jaar dat het me zo zonder erg zou voorbijgaan.’ Hij fronste zijn voorhoofd, hij had nu al sinds jaren geen kerk meer bezocht, maar de gedenkdag van het overlijden zijner ouders betekende hem meer dan religie, - het was traditie.
‘Nu kunt u niet naar de schouwburg, hè?’ Henri had spijt voor zijn vader, want hij wist dat het theater mijnheer Godschalk nog het meest interesseerde van alles waarmee hij zich ’s avonds de tijd kortte.
‘Daar had ik nog niet eens aan gedacht!’ schrikte mijnheer Godschalk. ‘Zulke dure plaatsen! Wat zullen we doen, Julie?’
Julie haalde haar schouders op: ‘Wat geven ze?’
‘Don Carlos, een klassiek stuk van Schiller, je kent het toch niet.’ ‘Don Carlos?’ vroeg Henri. ‘Dat hebben we op school gelezen. Speelt Possart de markies Posa of Philips?’
‘Philips, denk ik, voor Posa is hij te oud. Maar de Philips is ook een prachtrol.’ Mijnheer Godschalk staarde verdrietig op zijn nagels. Opeens keek hij op.
‘Lezen jullie Don Carlos op school? Nou, dan mag jij gaan, -allicht heb jij er nog nut van. Weet je iemand die je mee kunt nemen?’
‘Waarom zou ik niet meegaan?’ vroeg Julie. Maurice Godschalk keek bevreemd, toen viel hem in, dat ze niet kon weten hoe een vrouw de jaartijddag van haar schoonvader houdt. Hij had het door de jaren heen opgegeven haar iets van deze dingen duidelijk te maken.
218