de smook van de stoompijpen in zijn neusgaten en bijwijlen een korte vertedering voor Japie Eden of de blanke nek van zijn meid. Maar bovenal met de eeuwenoude wrok van het Amsterdamse volk tegen de regent, wie dat dan ook mocht wezen.
Mark stond op. ‘Ga mee, ik wil naar Plancius. Al de spoorjongens zijn er naartoe. Als Oudegeest het wint bij de directies, komt hij het ze daar vertellen.’
Henri keek om zich heen. Hij wilde niet meer weg. Het was precies goed hier. Hij had geen lust om te blijven aanlopen achter het nieuws dat nooit ophield.
‘Ik blijf nog een beetje hier, als ik niet in de weg zit,* zei Henri. ‘Welnee jongeheer,’ zei de oude Glaans. ‘Als het erop aankomt, ben je nog half van de familie.’ Bet glimlachte en legde een moederlijke hand op zijn schouder. Mietje schoof vlug Marks stoel terug op zijn plaats tegen de muur.
Henri bleef nog een heel uur zitten aan het glimmend zeildoek tafelblad onder de glazen lampebol met de geelpapieren kap. Hij zat mee aan in een kring en voelde het. De oude Glaans was achter de kachel vandaan gekomen en spelde ‘de Vrije Socialist’, nu en dan las hij verrukt een regel hardop. ‘De geesten worden wakker, het is een lust om te leven.’ Of: ‘Aan ons de toekomst, wij zijn op de rechte weg.’ Maar het gezin nam niet veel notitie van die ontboezemingen. Moeder Glaans schilde haar aardappeltjes, die telkens met een kort plofje in de emmer vielen. Bet en haar man genoten de ‘Kikeriki’ van het zondagse ‘Nieuwsblad’ en Jacob Glaans pufte zijn pijpje met zichtbaar welbehagen. Nu en dan krulde een genietend lachje om zijn mond en neus, zeker dacht hij aan de knokpartij. Henri mocht een streng sajet ophouden voor Mietje, en was geheel vergeten dat hij thuishoorde aan de overkant.
De volgende dinsdag wapperde de rode vlag op het gebouw van de bootwerkersvereniging ‘Recht en Plicht’, de staking der transportarbeiders was gewonnen. Een golf van machtsgevoel liep door de arbeiders van Amsterdam, overal gistte het, kleine stakingen braken uit bij afzonderlijke patroons en ook de gemeentewerklieden dreigden het werk neer te leggen. De militairen bleven patrouilleren, lichtingen werden opgeroepen, de regering-Kuyper kondigde wettelijke tegenmaatregelen aan en de arbeidersbladen begonnen de algemene werkstakingen te propageren.
Het waren grote dagen. In vele openbare vergaderingen, in het Paleis voor Volksvlijt, d’Geelvinck, Plancius, stonden op het podium de mannen uit alle tot dusver vijandige socialisten- en anarchisten-groepen als kameraden naast elkaar, Domela Nieuwenhuis en Gor
209