die een dikke volksvrouw van bijna veertig was geworden en de man van Bet, die toch niet de zeeman was waarmee hij haar eens door Artis had zien lopen. Toen gaf hij Mietje een hand, knikte Mark toe en keek eindelijk, ondanks zichzelf een beetje schuw, naar Mietje’s oom, de stakende bootwerker.
Jacob Glaans zat in de enige rieten leunstoel aan de tafel, zijn arm was dik verpakt in een wit gaasverband en hing in een doek. Hij was een witblonde reus van een vent, met een vierkant sproetengezicht waarop al zoveel lijnen stonden, dat Henri zich verwonderde hoe hij pas dertig jaar kon wezen. Tussen zijn bruine tanden klemde hij een afgebrand houten pijpje waarin het vuur was uitgegaan.
‘Nou en toen?’ vroeg Mark, nadat Henri een stoel had gekregen. ‘Nou we hadden ze afgewacht, hè? Man, we wisten niet wat we zagen, allemaal boerenkaffers, zo achter de koeien vandaan. Ik zei al: “nou as die een baal op d’r nek moeten nemen, slaan ze dubbel, - we kennen evengoed naar huis gaan.” Maar de anderen wouen blijven om te zien hoe het gong, hè. Man, je hield er je buik bij vast, - d’r werd natuurlijk een hartig woordje gezegd ook, dat kan je geloven. Nou en toen kreeg een van de bazen mot met Janus Stomps en toen kwamen wij erbij, van het een kwam het ander en eer we ’t wisten was er keet. Zo vanzelf, hè, - je wordt vanzelf grimmig als je zulke belabberde mestkruiers ziet donderen op je eigen karwei. Nou, ik heb een paar koppen tegen mekaar geslagen en mijn hebbe ze een arm gebroken en dat is alles.’
‘Maar nou ken je de eerste maanden zónder lopen,’ klaagde het oude wijfje. ‘En hoe moet ik er dan komen? je vader brengt geen vijf gulden meer in.’
‘Godverdomme, leg toch niet te jengelen!’ zei Jacob Glaans. ‘Ken ik het helpen? Moet ik soms mee gaan onderkruipen?’ ‘Godbewaarons,’ zei het vrouwtje, ‘zeg ik dat dan? Jij vliegt ook dadelijk zo op. Maar ik moet zorgen dat er aardappelen op tafel komen.’
‘Jullie hebben toch een vakbond,’ zei Mark, ‘je zal toch wel uitkering krijgen?’
De reus glimlachte en hield een lucifer bij zijn pijp. *We zijn geen diamantslijpers, vrind, met een fijn bestuur en contributies van een gulden in de week. Als er wat is, nou dan delen we, en als er niet is, nou dan schooien we.’
‘Maar dat is fout Glaans, helemaal fout!’ onderwees Mark ijverig. ‘Als je geen weerstandskassen hebt, dan kan je niet staken wanneer je wilt maar dan moet je staken als de patroons willen.’
‘An me laars,’ zei Glaans. ‘Je kan altijd staken, als je d’r maar een
207