‘Ja!’ zei Mark. ‘Mijn vader heeft net bericht gehad van de Rietlanden en van de Weesperpoort. Alles loopt leeg. God man, weet je wat dat betekent? Geen haat en nijd meer tussen de arbeiders, ook niet tussen de socialisten en de vrijen, - je zal mekaar kunnen vertrouwen en samenwerken, - dat is het einde van het kapitalisme!’ Mark kneep zijn handen tot vuisten. ‘Men zou zó willen beginnen!’ en hij stak een vuist op naar de kant van de Beurs. ‘Zijn we eigenlijk niet gek dat we nog naar school gaan? Wat doet het ertoe of we weten hoe de faillissementswet in elkaar zit? Binnenkort is het toch uit, dan nemen we de hele boel in handen, - het hele zootje.’ ‘Onzin,’ zei Henri, ‘natuurlijk gaan we naar school, waar moeten we anders heen? Die spoormensen hebben ons niet nodig, die staken toch al.’
Ze waren nu bij Zeemanshoop. Opeens draaide Mark zich resoluut om op zijn hakken en sloeg linksaf.
‘Ik ga kijken aan het station,’ riep hij en liet Henri staan. Die weifelde, glimlachte en liep alleen verder. Maar toen de concierge in de klas de namen der absenten ophaalde, berichtte hij zakelijk dat Mark Zadoks ongesteld was. De leraar noteerde.
Die avond, toen mijnheer Godschalk het vochtige Handelsblad opende, liet hij het na een minuut ontsteld op zijn knieën zinken. ‘Godallemachtig,’ zei hij en staarde verschrikt over de krant naar zijn huisgenoten. ‘Wat is er, pa?’ vroeg Henri beleefd belangstellend.
‘Die bende! Dat schorum! De hele wereld loopt in ’t honderd!’ ‘Bedoelt u de spoorwegstaking?’
‘Wist jij daar dan al van?’ Mijnheer Godschalk keek argwanend naar zijn zoon.
‘Op school gehoord van de jongens,’ zei Henri luchtig.
Mijnheer Godschalk had het blad weer opgenomen, gedurig klakte hij zijn tong van verontrusting.
‘Maar dat gaat toch niet zómaar!’ riep hij eindelijk en gooide zijn lorgnet op tafel. ‘Dat kan toch niet zo voortgaan! Morgen slaan ze mijn ruiten in en dragen de boel hier weg. Als de spoor niet meer rijdt, houdt alles op, - godallemachtig, - de huzaren moeten komen! - Laat ze schieten op dat tuig! We kunnen dat toch niet zo blijven zitten aankijken!’
Henri zweeg, hij herinnerde zich de ontzetting van zijn vader toen de krant had bericht dat een joods dorp in de Oekraine door de kozakken was platgeschoten. Eindelijk zei hij: ‘Men kan iemand toch niet doodschieten omdat hij niet werken wil?’
Mijnheer Godschalk haalde zijn schouders op. ‘Je bent nog een kind,’ zei hij.
203