merkte wel, dat hij te veel handelstermen en te weinig gewone woorden kende, hij wist niet eens het Duitse woord voor ‘kreeft’. Het meisje liet zich echter heel vriendelijk door hem bedienen, en later, toen iedereen warmer werd, lag haar rond armpje tevreden tegen zijn colbertmouw. Hij wist niet of hij dat prettig vond, hij moest telkens kijken hoe die warme blote arm bij de oksel overging in een straf vlezige schouder, en hoe die weer onder de dunne zijde de weg wees naar een opstaande ronde borst. Het was eigenlijk raar, dat hij dit alles zo moest zien van een meisje dat hij niet kende, hij praatte maar zo goed mogelijk over zijn eigen verlegenheid heen. ’s Nachts echter droomde hij een hete vermoeiende droom waarin hij gladde zijde trachtte af te stropen van een paar vrouwenborsten.
Na de kerstvakantie toen hij voor het eerst weer zijn schoolagenda opsloeg, zag hij dat het juist in deze tijd ook Chanoeka was geweest. Hij had er zelfs niet meer aan gedacht. Zijn oude Chanoeka-luchtertje stond ergens in een zolderkast, hij had het in jaren niet meer gezien en zijn vader gaf al lang de cadeautjes op sinterklaas. Hij nam zich voor toch eens te gaan zoeken naar die kindermenoure, maar vergat het natuurlijk.
De schooldagen gingen verder. De leraren begonnen nu te dreigen met het eindexamen: ‘zo kom je er niet,’ zeiden ze tegen Henri. Hij trachtte zijn best te doen maar sommige dingen liepen door zijn hoofd als door een zeef. Er waren maar een paar vakken die vanzelf gingen en waarvan zijn hersens alles wilden vasthouden. Aardrijkskunde lukte nog wel omdat men zich het meeste ervan kon voorstellen en ook economische geschiedenis was niet al te moeilijk. Staathuishoudkunde begreep hij ook nog altijd, door Mark Zadoks. Maar de talen werden erg vermoeiend want er was nu geen tijd meer voor literatuur. En de rest: boekhouden en handelsrekenen en handelsrecht waren een ware pijniging, hij kon een halfuur op een bladzij zitten staren zonder dat de woorden of de cijfers houvast kregen in zijn hoofd.
Zo tobde hij januari door, thuis werd hij steeds stiller en ook Mark had al gevraagd: ‘Wat heb je toch?’ Hij had zijn schouders opgehaald, - hij had helemaal niets. Hij was alleen de toegang kwijtgeraakt tot die diepe harteplek waar hij zich kon voelen blij worden om zichzelf. Er was iets dichtgegaan in zijn borst, daarachter was nu geen ruimte meer maar een kleine doffe pijn die drukte.
Toen kwamen de beide grote dagen waarvan de kinderen nu nog leren in de geschiedenisboekjes, de dagen van de spoorwegstaking
201