Wat hier onder de zoden lag, was maar de af val van een mens. Maar waar bleef de rest?
Zijn wenkbrauwen trokken omhoog en toen zijn schouders. Even stond hij zo en voelde dat hij niets wist
Maar tegelijk voelde hij ook al de zon schijnen. De vogels floten zo lustig dat zijn oren het hoorden, toen begonnen zijn ogen ook weer naar buiten te zien, ze werden opengemaakt door de grote groenbebladerde espestruik op het graf. De wuivende lichtgroene blaadjes werden zacht doorschenen door de zon, het was of de struik een lichte, trillende glimlach van zich liet. En opeens viel de jongen in, dat er toch nog iets over was van zijn moeder: - de grote levende struik. Hij groeide uit haar graf.
Hij stond heel stil, zo stil als de struik, en voelde hoe de wind van de zeekant langs zijn wangen streek. De wind streelde eerst over de blaadjes van de struik en dan langs hemzelf. Toen merkte hij opeens dat hij al die tijd onzin had gedacht Natuurlijk was er nog veel meer over van zijn moeder. Zelf was hij overgebleven, - een jongen, een mens, - dat was eigenlijk een heleboel. Een mens is tenslotte meer dan een struik.
Hij keek naar de struik met een klein triomfantelijk lachje, maar het zakte meteen weer weg. Hij voelde zich klein worden. De struik was toch meer. Hij stond zon te voelen op ieder klein blaadje en was precies gegroeid zoals hij groeien moest
Augustus liep ten einde toen Henri zijn herexamen deed. Men liet hem erdoor omdat er voor de vierde klas al te veel en voor de vijfde te weinig leerlingen waren. Dit kwam hij te weten door de leraar boekhouden die een babbelaar was. Hij gooide de extra-cahiers waarop hij zijn vakantie had zoekgebracht in het keukenfornuis en vroeg zijn vader toestemming om nog een voetreisje van een week te gaan maken. Maar aangezien hij geen ander gezelschap voor zich wist dan Mark Zadoks en mijnheer Godschalk hem evenmin met de socialistenzoon als alleen op reis wilde sturen, bleef hij thuis en maakte zogenaamde dagreisjes. Hij voer op een volgeladen vreemdelingenbootje naar Marken, dat op een zonnige verkleedpartij leek, ging een dag naar Ouwerkerk, en naar Wijk aan Zee en tenslotte, met het primitieve puffende stoomtrammetje naar Laren, dat juist door het grote publiek was ontdekt nadat de schilders er al tien jaar lang van binnenhuisjes en heidegezichten hadden genoten. ‘Hier kom ik nog wel eens terug,’ dacht Henri toen hij des avonds bij ondergaande zon weer in het trammetje stapte. De Brink lag rus
199