Henri van de overkant

Titel
Henri van de overkant

Jaar
1936

Druk
1963

Overig
5ed 1963

Pagina's
255



stem had de milde klank waarmede men dankgebeden zegt.

‘Het is toch een beetje raar, dat we hier nu gewoon aan tafel zitten en danken,’ zei Henri tegen de huisknecht Mousje.

‘Waarom?’ vroeg die. ‘Waarom zou een jood niet danken voor alles wat hij krijgt, - ook op een kerkhof? Alles wat men krijgt, komt van God.’

Henri zuchtte. Hij herkende in zichzelf het stomme verdriet omdat hij niet meer mee kon geloven met de vrome joden waarvan hij toch zoveel hield.

En aan God durfde hij niet eens meer denken. Hij wist niets meer van God.

Hij liet de rijtuigen wegrijden naar Amsterdam en ging de opzichter zoeken. Hij zou wel teruggaan met de stoomtram, eens in zijn leven moest hij toch het graf van zijn moeder zien.

Het was een graf dat er al oud uitzag. De steen was natuurlijk netjes onderhouden, daar zorgde zeker zijn vader wel voor, maar een grote houtachtige struik was opgeschoten tussen de hardstenen paaltjes, die de langwerpige rechthoek afbakenden.

Henri stond naast de steen en keek. Er vielen hem telkens andere dingen in, gewone dingen, niets bijzonders over zijn moeder. Alleen herinnerde hij zich even wat juffrouw Zadoks had gezegd, maar ook dat was niet belangrijk.

Eigenlijk was het alleen belangrijk dat er zo helemaal niets meer van haar was overgebleven. Nergens. Thuis was er niets meer, zelfs haar oude meubelen waren nu weg, niets was gebleven zoals zij het had gekend, dat wist hij. En hier in het graf lag alleen haar gebeente, lang en recht, alle vingerkootjes gestrekt langs de heupbeenderen. Een wit skelet, zoals in al deze oude graven.

Zijn ruggegraat werd koud, - hij moest zich wel voorstellen wat daar lag in de zwarte, vochtige aarde onder de graspollen. Harde stijve beenstokken, geelwitte geraamten met lege oogkassen waardoor pieren kropen. Het was afschuwelijk om dit te moeten zien, -waarom moest hij toch altijd dingen zien die niet te zien waren?

Hij voelde de koude van zijn ruggemerg verder zakken naar zijn maag. ‘Neen!’ zei hij tegen zichzelf en nog eens ‘neen.’ Hij wilde niet. Hij hoefde niet meer bang te zijn zoals vroeger in bed en toen met Mietje in het museum. Hij wist al beter. Oom Eli was gestorven en weggeweest nog voor een enkele vezel van zijn lichaam in elkaar was gevallen, hij had het zelf gezien, eerst waren oom Eli’s ogen gegaan en toen zijn begrip, eerst daarna was zijn adem opgehouden. En iedere dag stierven de mensen zo, ze stierven weg uit hun lichaam.

198

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.